GastcolumnFleur Jongepier

Waarom ik niks vind van Robbert Dijkgraaf als minister

Fleur Jongepier Beeld RV
Fleur JongepierBeeld RV
Fleur Jongepier

Wat vind ik van het feit dat Robbert Dijkgraaf de nieuwe minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) wordt? Opvallend. Zo ver kom ik nog wel. Maar verder? Wat vind ik verder? Niks. Dat is niet erg, hoor ik u zeggen, je hoeft niet altijd ergens wat van te vinden. Behalve dan in columns. En behalve dan omdat ik de vorige minister van OCW persoonlijk een bezorgde brief in de hand heb gedrukt. Dat maakt het niet hebben van een mening over de opvolger toch ietwat ongemakkelijk.

Ik vind het tegelijkertijd ook boeiend, dat ik dus niks vind van Robbert Dijkgraaf als minister. Hoe komt dat? Filosoof als ik ben, kan ik mij daarover vrolijk het hoofd breken. Het antwoord waarop ik uitkwam, maakte helaas wat minder vrolijk.

Eerst over die bezorgde brief aan Ingrid van Engelshoven, die ik haar overhandigde toen zij aanwezig was bij de opening van het academisch jaar aan mijn universiteit. Ik betrad zelf de aula niet, omdat ik deel uitmaakte van de fietsploeg van ‘WOinActie’, een actiegroep van studenten en medewerkers die de torenhoge werkdruk, hoge cijfers van burnouts en gezondheidsproblemen van wetenschappelijk personeel aan de kaak stelt. Die dag fietsten degenen zonder burnout, die er helemaal klaar mee waren, het land door, van universiteit naar universiteit.

Cijfers

Veel van het protest over de stand van zaken in het hoger onderwijs wordt in cijfers uitgedrukt. Sinds 2000 zijn er bijvoorbeeld 68 procent meer studenten, maar is de rijksbijdrage per student 25 procent lager. Om terug te komen naar het niveau van 2000, is niet minder dan 1,5 miljard nodig. Ik vroeg me af of de cijfers echt iets losmaakten bij Van Engelshoven; of de cijfers haar zouden doen stil staan bij wat de impact is op de echte levens, families en de vriendschappen van personen werkzaam aan universiteiten. En dus gooide ik het over een andere boeg: ik maakte het persoonlijk.

Ik schreef over de getalenteerde studenten die ik kende, die dromen van een academische carrière, zoals ik zelf ooit deed. Maar ik schreef ook over het feit dat een wetenschappelijke carrière vaak helemaal niet iets is om over te dromen. Als je proefschrift na vier jaar zwoegen af is (waarbij bijna 60 procent van de promovendi aangeven ‘een constant gespannen gevoel’ te hebben en de helft niet meer kan genieten van dagelijkse activiteiten) zal je gemiddeld tien tot vijftien jaar lang tijdelijke banen hebben. Je zult in de avonden, de weekenden en vakanties werken, ook als je een 0.7fte-contract hebt. Omdat je een vaste baan wilt, zekerheid wilt.

Je zult zeggen dat je dat allemaal graag doet, omdat je werk je passie is. Je zult er pas veel later achter komen hoe ondermijnend die gedachte is. Je zult soms artikelen schrijven en publiceren, niet zozeer omdat je dat zelf wilt, maar omdat je ‘output’ moet hebben om aan die vaste baan te komen. Je zult minder sporten, ongezonder gaan eten, meer alcohol gaan drinken, je hobby’s zien krimpen tot droge rozijntjes, een gezin uitstellen, je zult jezelf of collega’s door hun hoeven zien zakken. Je zult vooral als vrouw, als persoon van kleur of als je een beperking hebt, een hoop lelijkheid tegenkomen. Je zult hoogleraren meemaken die misbruik maken van hun machtspositie, je zult intimidatie en ongepast gedrag zien, ver weg of veel te dichtbij.

Prettig gesprek

Daarover schreef ik dus allemaal aan Van Engelshoven. Zij, of moet ik zeggen de medewerkers van haar ministerie bedankten me hartelijk voor de brief en nodigden me uit voor een gesprek. Het was een prettig gesprek waarbij ik, o zoete ironie, ook leerde over de werkdruk aan hun kant van de glaskabel.

Er was veel wederzijds begrip, veel welwillendheid en nog veel meer overeenstemming over wat er allemaal beter moet. Het probleem was alleen dat zij er vaak ook niet zoveel aan konden doen, dat ook hun handen gebonden waren.

Ik heb veel gebonden handen gezien, de laatste jaren. Sommige handen waren echt gebonden, met duct tape en tiewraps, sommige andere handen leken enkel gebonden met een snoepketting. Het resultaat is vermoeidheid, apathie en een gebrek aan vertrouwen.

En dan kom ik eindelijk weer terug bij Robbert Dijkgraaf, want ik weet nu waarom ik er niks van vind dat hij minister van OCW wordt. De klad zit erin. Ik ben te moe om me enthousiast te maken, hoop te hebben, te moe om teleurgesteld te raken. En dat terwijl er best hoopvolle berichten zijn: de basisbeurs keert kennelijk terug en er komt in tien jaar tijd ruim vijf miljard euro bij voor onderzoek. Fantastisch.

Maar is het genoeg? Komt het op tijd? Ik weet het niet, en ik vind er even niets van. Ik zal vast wel ooit weer energie vinden om mijn schouders te zetten onder een betere universiteit, om hoop te hebben in Dijkgraaf en teleurgesteld te zijn wanneer het allemaal toch tegenvalt. Maar nu even niet, nu vind ik er even allemaal helemaal niks van.

Fleur Jongepier is filosoof aan de Radboud Universiteit en essayist voor Bij Nader Inzien. Ze is in januari gastcolumnist voor de Volkskrant.

Meer over