COLUMNEva Hoeke

‘Waarom geen huizenruil?’, opperde de Man

Beeld Aisha Zeijpveld

We hadden natuurlijk weer niks geboekt.

Karakterkwestie, altijd alles op het laatste moment, we zien wel. Dan zie je dus meestal niks, maar ons voordeel is dat we dat dan ook nooit zo erg vinden. Bovendien voelden we ons nu voor het eerst sinds de verhuizing een keertje winnaar. Een vrijstaand huis met een tuin en een boomschommel en onbeperkt fikkie stoken op bonte avonden – wie deed ons wat?

Loyaliteit deed ons wat, of misschien was het wel gewoon angst voor spijt.

Nu de schim van mijn Schoonmoeder (88) in een instelling in Groesbeek was gestopt en videobellen met de dag absurdistischer werd – hallo, hallo, hallo – was het idee ontstaan om toch maar een huisje te huren, daar, in de buurt. Wanneer we dan op dertig meter afstand naar oma stonden te zwaaien en niet herkend zouden worden, zouden we daar in ieder geval niet eerst twee uur voor in de auto hebben hoeven zitten.

Enthousiast is een groot woord, maar de belofte aan een week Gelderland maakte wel wat los in de Man. Mooier dan thuis, aardige mensen, eeuwenoud landschap, dit was tenminste échte natuur, kijk nou die bomen, ik kende de argumenten inmiddels, ze beginnen altijd bij de A12 en eindigen bij de pannekoeken van De Duivelsberg. ‘Dan mogen we wel snel zijn’, zei ik met het oog op berichtgeving over massaal geboekte huisjes op eigen bodem. ‘Ik denk dat alles al weg is.’

Een uur later bleken we inderdaad weer royaal achter het net te vissen.

‘Waarom doen we geen huizenruil?’, opperde de Man. Hij had nog genoeg vrienden uit de tijd dat hij in Nijmegen studeerde, hij ging het direct bespreken. Een kwartier later was hij terug: het was geregeld, in juni gingen we, twee dagen. ‘Twee dagen?’, mompelde ik. ‘Dan ben je net binnen en kan je alweer gaan schoonmaken, dat doe ik niet hoor.’

Moeilijke blik. Had ik zelf soms een beter idee?

Ik dacht na. Huizenruil was op zich een goed idee. Vroeger logeerden we elk jaar in het huis van mijn oom en tante in het mondaine Bergen, wanneer zij zelf met hun vier dochters op weg waren naar iets nog mondainers. Een villa in een landerige laan, met gordijnen die als weelderige, bleekroze pioenrozen langs zonnige ramen hingen. Ik herinnerde me fietsritten door bossen en duinen, ijsjes bij snackbar Bello, een badkamer met een echt bad, de haartjes op mijn arm die steeds witter werden, de kater des huizes aan wie ik me onmiddellijk hechtte, de ivoorkleurige deux-chevaux in de garage, het stiekem ruiken aan de achtergebleven flesjes crème en parfum van mijn tante, het kamertje van de jongste dochter met het okergele bureau, haar kleren, mijn knuffel, de geur, het licht, hoe de deuren klonken wanneer je ze dichtdeed, anders dan bij ons, met een korte galm. Maar ook: hoe lang het duurt voor je een huis zonder sporen achterlaat.

‘En als we nou eens in háár huis gaan zitten?’

Ik keek hem aan, dat meende hij toch niet? Het half onttakelde ouderlijk huis in Velp, waar de container al voor de deur stond, mijn Schoonmoeders laatste armzalige bezittingen erin. We zouden wakker worden in stofwolken, ontbijten aan een kale tafel. Maar vooral: ontbijten zonder haar. Nog geen half jaar geleden deden we dat nog gewoon, ons in stilte weliswaar ergerend aan het eindeloze geritsel, het niet stil kunnen zitten, het eenrichtingsverkeer, de medische berichten, pillen tellen, opstaan en weer zitten, hoe laat is het jongen? – maar toch, een vanzelfsprekend soort gezelligheid. Die moest je nu vooral niet terug proberen te halen.

We lieten het maar even, het had geen haast, we waren te laat.

Meer over