ColumnBert Wagendorp in Geertruidenberg

Vooruitkijken naar de ramp, de mens en het water van ‘de vreeselike vloed’

null Beeld
Bert Wagendorp

Ik ga naar de Biesbosch om te zien of er nog iets is dat herinnert aan ‘de grote en vreeselike vloed’ van zeshonderd jaar geleden, de Elisabethsvloed die volgens de verhalen in de nacht van achttien op negentien november 1421 deze contreien in één klap van een polder in een binnenzee veranderde. Natuurlijk is er niets te zien, de Biesbosch zelf is het enige bewijs dat het hier destijds flink spookte en dat de dijken braken.

null Beeld Bert Wagendorp
Beeld Bert Wagendorp

Ooit lagen hier, ten zuiden van Dordrecht, dorpen als Hoekenesse, Houweningen en Heisterbach – ze zijn van de aardbodem verdwenen, net als veel andere. De kronieken spreken van 72 verdronken dorpen, maar zoveel waren het er niet. Er vielen ook geen honderdduizend slachtoffers – hooguit ‘enkele tientallen’, schrijven de waterbouwkundigen Schiereck en Visser in De Grote en Vreeselike Vloed, het boek dat verscheen ter gelegenheid van het herdenkingsjaar.

Er is veel historische onzekerheid over de Elisabethsvloed – beter: de Elisabethsvloeden, want er waren er meer, drie om precies te zijn, in 1404, 1421 en 1424. Het is onwaarschijnlijk dat die echt alledrie op de naamdag van de heilige Elisabeth vielen (19 november). Het staat wel vast dat de Biesbosch niet ontstond in één rampzalige stormnacht, maar dat het jaren in beslag nam voor de polder de Groote Waard weer in een moerassig visgebied was veranderd.

Maar om te herdenken heb je een datum nodig, dus begonnen in de Biesbosch-regio de herdenkingsactiviteiten van de ramp gisteren, op 19 november. In Geertruidenberg bijvoorbeeld, vestingstadje aan de Donge. Vanaf de toren van de Geertruidskerk zag een ooggetuige destijds water zover zijn oog reikte.

De mythevorming rond de vloed van 1421 zorgde ervoor dat die uitgroeide tot de Moeder aller Middeleeuwse Watersnoden. Kunstenaars lieten zich er eeuwenlang door inspireren, verhalen bleven rondzingen.

In die verhalen over de legendarische ramp zit de Nederlandse oerangst, die voor het wassende water.

Er waren eerdere watersnoden en ook genoeg latere: de Ursulavloed (1468) en de Allerheiligenvloed (1552) bijvoorbeeld. Die waren vaak heftiger en eisten meer slachtoffers, maar ze zijn nooit geworden wat de Elisabethsvloed nu al zes eeuwen is, een waarschuwing, het eeuwige bewijs dat je moet oppassen met watermassa’s, vooral wanneer de wind verkeerd staat en de dijken slecht zijn onderhouden.

‘Water = Vernietiging’, luidt de tekst op een van de meerpalen in de Geertruidskerk, waar vrijdag de ‘eigentijdse ervaring’ De Drift werd geopend, een kleine maar intrigerende tentoonstelling over ‘de ramp, de mens en het water’. Paul Koedijk is wat vroeger koster van de kerk heette en nu beheerder, projectmanager, zakelijk leider. Koedijk is de bedenker en initiator van De Drift.

In de crypte van de prachtige kerk laat de Maastrichtse videokunstenaar Peter Slegers het water naar binnen golven en komen de lichamen van verdronkenen voorbij.

‘Maar je komt er uiteindelijk weer uit,’ zegt Koedijk als hij de trap naar de kerk weer oploopt, ‘dat heeft ook wel een mooie symboliek, vind je niet?’

Er staat een wit torenspitsje in het koor van de kerk, geleend van het Watersnoodmuseum in Ouwerkerk, dat refereert aan de ramp van 1953 – watersnoden zijn van alle tijden en torenspitsen kunnen opeens waterbakens worden.

En dan sta je, aan het eind van de experience, opeens voor een landkaart van Nederland in 2200, van het Rotterdamse LOLA Landscape Architects: Plan B: NL2200, the nation formerly known as the Netherlands.

Er is ook een Plan A: voldoen aan de doelstellingen van het Akkoord van Parijs. Maar mocht dat niet lukken en loopt de stijging van de zeespiegel uit de hand, dan is Plan B volgens LOLA het alternatief: een ver naar het oosten verschoven Nederland, met waar nu nog de Randstad is een Waterland, een grote lagune achter de duinenrij met daarin drijvende landbouw en hier en daar een stad op een terp. Een planologisch angstbeeld, al zien ze dat bij LOLA anders.

Het is het perfecte einde van De Drift : hierover gaat het uiteindelijk, 600 jaar na 1421; het zwarte scenario, de nachtmerrie, een Elisabethsvloed van demonische omvang.

Ik herinner me wat ik dacht toen ik op het Biesbosch MuseumEiland dat eindeloze van god verlaten gebied zag van water, land en moerassen: dat ik geen zes eeuwen terug keek, maar zeshonderd jaar vooruit.

b.wagendorp@volkskrant.nl

Meer over