ColumnSylvia Witteman

Voor voetbalplaatjes heb ik veel over maar niet meegesleurd worden in een bekgevecht

null Beeld
Sylvia Witteman

Mijn jongste zoon spaart voetbalplaatjes. Die krijg je in de supermarkt bij de kassa, maar sinds we van de grootgrutter zélf onze boodschappen mogen scannen kom ik nooit meer bij de kassa. Geen nood, de servicebalie keert ook voetbalplaatjes uit, meestal bovendien met veel gullere hand dan de caissières. Elke dag kan ik dus mijn kleintje met een enorme stapel plaatjes verblijden, die hij dan met stralende oogjes vlijtig in een album plakt (lees: hij scheurt ze slordig open, concludeert bitter dat het ‘weer zowat allemaal vrouwen’ zijn, en laat ze vervolgens overal in huis rondslingeren).

Gisteren stond ik weer bij die servicebalie, achter een man die nogal veel Staatsloten kocht en vóór een vrouw met een zoontje van een jaar of zes. De lotenkoper maakte er echt werk van, hij had scherp omlijnde ideeën over bepaalde ‘eindcijfers’ en bekeek elk lot dat hij kreeg van dichtbij, alsof hij de dageraad der miljoenen al door dat oranje-blauwe velletje papier zag schemeren.

Het duurde lang. Dat vond het jongetje achter me ook. Zijn moeder, een piekfijn bewinterjaste blondine aan wie enig beschaafd cosmetisch smeedwerk niet vreemd was, stond zelfs te zuchten als een blaasbalg en beweerde ten langen leste hardop dat ‘die meneer hoopt dat hij een héleboel geluk gaat hebben’. Nou ja, dat hopen we allemaal, nietwaar?

De lotenkoper keek betrapt om, zond een benepen glimlachje uit, en sprak: ‘Ik ben klaar, hoor. Alleen nog even sigaretten.’ En tegen het meisje achter de balie: ‘Mag ik twee pakjes Marlboro light, drie Dunhill zilver, twee Winston classic, een Winston blue en een pakje Samson met twee rode Rizla?’ Het baliemeisje schudde lachend haar hoofd. ‘Wacht even, meneer, niet zo snel’, zei ze. ‘Twee Marlboro light, zei u, en daarna?’ Ze draaide zich om en tuurde naar die muur van sigarettenpakjes. ‘Dunhill zilver, Dunhill zilver... Even kijken...’

De blondine achter me haalde diep adem en zei veel te hard tegen haar zoontje: ‘Dat zijn heel veel sigaretten, hè, Finn? Het is heel dom van die meneer om zo veel sigaretten te roken. Van roken kun je heel erg ziek worden. Soms zelfs zo ziek dat je nooit meer beter kunt worden!’

Het jongetje zei niets. Het baliemeisje keek een beetje angstig. De lotenkoper draaide zich om en zei, ook weer flink hardop, tegen het jongetje: ‘Weet je wat jij tegen je moeder moet zeggen? Zeg jij maar tegen je moeder dat ze helemaal geen aardige mevrouw is.’

Ik heb de reactie van het jongetje niet afgewacht. Ik ben naar buiten gerend. Dan maar geen voetbalplaatjes.

Het waren vast tóch weer ‘zowat allemaal vrouwen’.

Meer over