ColumnEva en Eddy Posthuma de Boer

Voor de democratie is mijn buurman ongevoelig. Je kunt het hem niet kwalijk nemen, het is zijn goed recht

null Beeld

Mijn buurman stemt nooit zelf. Hij vindt gewoon niks, zegt hij. Dus machtigt hij zijn vrouw en laat hij haar bepalen naar welke partij zijn stem gaat. Ik begrijp mijn buurman wel. Ik vul mijn hoofd ook liever met andere gedachten. Als ik eenmaal begin met er iets van te vinden, dan vind ik meteen zoveel, en dan doet het me ook zoveel. Ik wil al die emoties niet. Alleen mijn stem aan een ander geven, dat is mijn eer te na, daarvoor vind ik de democratie een te groot goed. Ik zal dus altijd stemmen en zelf bepalen op wie. Maar ook voor de democratie is mijn buurman ongevoelig. Je kunt het hem niet kwalijk nemen, het is zijn goed recht. Ook niks vinden is vrijheid van meningsuiting.

Voor mijn man is dit alles onbegrijpelijk, voor hem vormt de politiek een dagelijkse bron van opwinding en razernij. Dat je daar onverschillig tegenover kunt staan, kan hij niet bevatten. Terwijl hij toch beter zou moeten weten. Hij vindt ook weleens niks.

Ooit kocht ik een enorme plant, zo een met reuzenbladeren aan dikke stengels in een kolossale pot. Ik zette de plant in een kale hoek van de keuken, die meteen niet meer kaal was. Sterker nog: de plant bracht sfeer, kleur, ja, zelfs leven in de keuken. Nodeloos te zeggen hoezeer ik in mijn noppen was. Toen kwam mijn man thuis. Doodgemoedereerd liep hij de keuken in en sloeg een krant open.

’Zie je niks?’, vroeg ik.

Hij keek naar mij. ‘Had je die trui al?’

‘Ja, die had ik al. Het is iets in de keuken.’

‘O.’ Hij keek rond, best lang en uitgebreid, maar nee, er viel hem niets op.

‘Die plant!’, riep ik verontwaardigd.

‘Ah’, zei hij halvig verrast.

‘En? Wat vind je ervan?’

Als een gehoorzaam jongetje bekeek mijn man de plant. Ik keek naar hem. Zijn wenkbrauwen trokken iets op, zakten weer. Hij haalde adem, en nog een keer. Het duurde lang, hij bleef maar kijken. Aandachtig kan ik zijn blik niet noemen. Eerder vlak. Blanco.

‘Je vindt niks, hè?’

‘Nee’, blies hij opgelucht uit, alsof hij zijn adem al die tijd had opgehouden. ‘Ik vind inderdaad niks.’

‘Niet mooi, niet lelijk, niet groot, niet groen, niks?’

‘Nee, niks. Is dat erg? Kwets ik je nu?’

Ik dacht even aan hoe ik die middag de titanische plant en dito pot de auto in had weten te tillen, had lopen sjouwen met drie loodzware zakken aarde, en thuis alles als summum van de hernia-uitdagende exercitie de trap op had getorst. Of ik het erg vond dat hij niks vond? Welnee joh, vind jij lekker niks.

Op 17 maart is hij in het buitenland, en ga ik voor ons allebei stemmen. Ik zal braaf inkleuren wat hij wil, ook als zijn stem niet zo groen is als de mijne.

Willem Drees met zijn vrouw Catharina, 1959. Drees was minister-president van Nederland van 1948 tot en met 1958. Beeld Eddy Posthuma de Boer
Willem Drees met zijn vrouw Catharina, 1959. Drees was minister-president van Nederland van 1948 tot en met 1958.Beeld Eddy Posthuma de Boer