ColumnLoes Reijmer

Vijf jaar na de aanslag op Charlie Hebdo zijn we weinig opgeschoten

‘Heel disrespectvol’, zei Lieke, een 15-jarige vwo-leerling aan het Rotterdamse Emmauscollege vrijdag tegen de Volkskrant. Haar klasgenoot Alexandra was het daarmee eens. Zoiets dóé je niet.

Wonderlijk genoeg hadden de twee meisjes het niet over het onthoofden van een docent, zoals onlangs in Frankrijk gebeurde. Of over het bedreigen van een docent, zoals deze week in Den Bosch en Rotterdam. Nee, het ging over het ophangen van een stukje papier met een tekening erop, niet eens een tekening van de profeet, zoals leerlingen aanvankelijk dachten, maar een tekening waarmee een jihadist werd bespot die bijna de hele redactie van Charlie Hebdo had uitgemoord. Voor Alexandra veranderde dat weinig. ‘Als je er mensen pijn mee doet, dan moet hij weg. Het heeft toch soort van met de islam te maken.’

Zo bleef de lelijke taalvondst ‘disrespectvol’ maar rondzingen in de reportage over de Rotterdamse school. Ook de 16-jarige Ahin gebruikte het woord. Zelf had ze de foto van de cartoon in de klas ook verspreid via Snapchat, want dit kon echt niet, vond ze.

‘Respect tonen, daar gaat het om’, schreef journalist en onderzoeker Margalith Kleijwegt vijf jaar geleden al in het rapport Twee werelden, twee werkelijkheden, over het bespreken van gevoelige thema’s in het onderwijs. ‘Dat begrip weegt [voor leerlingen] vele malen zwaarder dan de vrijheid van meningsuiting.’

Voor docenten moeten dit angstaanjagende weken zijn. Je zult maar je uiterste best doen om dit soort lastige onderwerpen toch te bespreken, uitleg te geven over grondrechten, de maatschappelijke context te schetsen waarbinnen dit soort discussies plaatsvinden, allemaal met het gróótste respect voor de belevingswereld van de leerlingen uiteraard, want dat vinden ze belangrijk. En dat een van hen vervolgens een foto maakt van de cartoon die je ter illustratie gebruikt – of die al vijf jaar in de klas hangt, zoals in Rotterdam het geval was – en deze ontdaan van alle context online slingert. Zij die zich machteloos voelen hebben met sociale media een ongekend machtsmiddel in handen.

Des te pijnlijker is dat het debat al snel niet meer ging over de weerbarstige praktijk van het klaslokaal, maar over de vraag of het überhaupt wenselijk is om cartoons van de profeet (of een moordende jihadist) te tonen. De Amsterdamse imam Yassin Elforkani, medialieveling, pleitte voor wetgeving tegen het beledigen van Mohammed, meer dan honderdduizend mensen ondertekenden een petitie van diezelfde strekking en in de talkshow Op1 vond imam Azzedine Karrat dat docenten beter geen spotprenten kunnen tonen in de klas. ‘We moeten de grenzen van de vrijheid van meningsuiting bespreekbaar maken’, zei een islamitisch geestelijk verzorger in de Volkskrant.

En dit zijn nog moslims die we tot de gematigden, de verbinders, mogen rekenen. Geen typische salafisten. Zij krijgen veel bijval van progressievelingen die benadrukken dat moslims tot een gemarginaliseerde groep behoren en daarom niet gekwetst mogen worden met afbeeldingen van hun geliefde profeet. ‘Goed draadje’, juichen hun volgers op Twitter, die kennelijk weinig onderscheid zien tussen het beledigen van mensen en een opperwezen.

De tragische conclusie is dat we vijf jaar na de aanslag op Charlie Hebdo weinig zijn opgeschoten. Misschien zelfs een stapje terug hebben gezet, want toen was iedereen Charlie en stond Elforkani nog naast Mark Rutte op de Dam. Blijkbaar is het lastig om moslimhaat te veroordelen en tegelijkertijd te vinden dat de profeet geen speciale bescherming vereist. ‘Dis­respectvol’, zou je bijna denken, een groot man als hij zou die immers helemaal niet nodig hoeven hebben.

Meer over