ColumnAleid Truijens

Veel te lang geloofden jongeren in het sprookje dat wie hard werkt, wordt beloond; zij zijn voorgelogen

null Beeld

Het gaf een oud, vertrouwd gevoel. Niet per se nostalgisch, want zo’n leuke tijd was het nou ook weer niet. De teksten op de spandoeken, afgelopen zondag in Amsterdam, waren deels dezelfde als in 1980: ‘Wonen Is Een Recht’ en ‘Huizen zijn voor mensen, niet voor beleggers’. Ook nu hadden de betogers, vijftienduizend volgens de gemeente, het gemunt op de huisjesmelkers, die ‘een functie elders’ moesten zoeken. Een grapjas zeulde de tekst ‘geen woning geen koning’ mee. Het gehate hoofd van een man met een rare bril kwam vaak voorbij. ‘Dit prinsje wil ook wonen’ liet een betoger met zelfspot weten.

Toch zijn het compleet andere tijden dan toen, tijdens de woonprotesten en krakersrellen in 1980. De woningmarkt werd sindsdien allengs onherbergzamer: de huizenprijzen gingen enkele keren over de kop, de huren schoten omhoog, sociale huurwoningen verdwenen en vastgoedbazen werden rijker. Geen kabinet dat deze ontwikkeling tegenhield; de markt moest het werk doen. Dat deed de markt.

Ik moest denken aan Albert Egberts, de hoofdpersoon van De slag om de Blauwbrug van A.F.Th. van der Heijden, de proloog van De tandeloze tijd, de trilogie die het epos van mijn generatie werd. Egberts staat, op de dag van de kroning van koningin Beatrix, verdwaasd met een steen in zijn hand. Hoe is hij tussen de woedende krakers beland? Hij is geen activist. Op zijn 30ste staat zijn leven volkomen stil. Hij, ooit een veelbelovend jongetje, is een junk die auto’s openbreekt.

Ik was toen 24 en studeerde braaf, maar die sfeer van lamlendigheid ken ik goed. We kregen toch geen baan, no future, en die bom zou wel vallen. Gelukkig woonden we als krakers vrijwel gratis, niet uit ideologie, maar omdat het kon. De gemeente gaf ons daarna keurig een sociale huurwoning. De meesten van ons rommelden ons een soort van werk in, maar van een uitkering kon je ook best leven. Sommigen voerden vurig actie, dat moet ook gezegd. Daarna braken de narcistische, hebzuchtige jaren negentig aan.

Geen van de vrienden van mijn generatie woont beroerd, zij het niet zo riant als de mensen die een paar jaar ouder zijn, de babyboomers die wél meteen een baan kregen en een goedkoop huis kochten – en die nu aan hun kinderen een jubelton verstrekken, die de prijzen en de oneerlijkheid nog eens opdrijft.

Je kunt de huisjesmelkers niet de schuld geven. Je hebt altijd slimmeriken die in schaarste en nood een verdienmodel zien. Het mocht gewoon: hele straten met betaalbare huurwoningen opkopen, verbouwen en voor een veelvoud verkopen, huizen in kamers ophakken en die tegen woekerprijzen verhuren. Schuldig is een overheid die dit decennialang toestond, die weigerde in te grijpen in een vergiftigde markt, waardoor jongeren kansloos werden. Alle kabinetten-Rutte, ook die met de PvdA erin, hebben dit laten gebeuren. Steeds kozen ze voor bestaande huizenbezitters, het stemvee. ‘De woningmarkt draait als een zonnetje’, zei minister Blok in 2017 en hij meende het. Minister Ollongren zucht nu mismoedig: ze hééft al zoveel gedaan. Maar die lage rente hè.

Het wordt tijd voor een minister voor Volkshuisvesting. Maar dan nog. Bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen werd de VVD ook onder twintigers en dertigers, de mensen die nu niet aan hun leven kunnen beginnen, de grootste partij. Onbegrijpelijk. Veel te lang geloofden jongeren in het sprookje dat wie hard studeert en werkt, wordt beloond. Zij zijn voorgelogen: zij zijn de eerste naoorlogse generatie die het slechter heeft dan de vorige. Hoog tijd dat zij verandering forceren.

Meer over