ColumnThomas Rueb

Vanuit deze bar in Amerikaans moerasland voelt New York verder weg dan vanuit Nederland

null Beeld
Thomas Rueb

De nevel reikt al tot mijn middel. Mijn adem wolkt ondanks de warme nacht. Waar de grond eerst knerpte, blijven mijn schoenen nu hangen in onzichtbare, zuigende modder. Ik loop over de levee, een dijk, dwars door oneindig Amerikaans moerasland – en ik zie geen steek. In de zaklamp van mijn telefoon gloeien de ogen van alligators als kooltjes. Demonen in het donker.

Voor het eerst voel ik hem, hier, in Louisiana: de ruimte in dit land. Hij tintelt, prettig en beangstigend, als zwemmen op open zee. Als ik naar links stap, of naar rechts, verdwijn ik voor altijd in de mist.

Na een uur ben ik er: een houten barretje aan een steiger. Binnen tref ik drie oudere stellen, dronken, en een barvrouw, lazarus. Alleen zij groet. Ik bestel een biertje en drink staand, mijn ogen gespitst op de wedstrijd voor me (American football – geloof ik), mijn oren op het gesprek achter me (‘…en wij worden genegeerd’).

Hun Engels is doorspekt met Frans: Cajun, de erfenis van verbannen kolonisten die zich vestigden in deze moerassen. Ze spreken over de grote stad, hoor ik, ‘waar de kiezers wonen’, en over het platteland – hier – waar ‘zij’ besluiten over ‘ons’. Het gesprek raakt verhit: ‘Wat weten ze dáár van ons leven hier?’ Ik staar naar mijn bemodderde Finse sneakers.

Toen ik half november als correspondent aankwam in Brooklyn, stuitte ik tijdens mijn eerste ommetje op een fietsenwinkel van Neder-e-bikes Van Moof. In de metro zie ik tassen van brillenmerk Ace & Tate. Iedereen drinkt kombucha. Wanneer je hier, bij deze bar, met een roeispaan op het water slaat, bubbelt er een reusachtige, blinde alligator omhoog die hoopt op restjes barbecue. Ja, vanuit hier voelt New York verder weg dan vanuit Nederland.

‘Alsjeblieft, honey’, zegt de barvrouw en ze schuift me een nieuw biertje toe, ‘van ons.’

Een vijftiger met een ringbaardje slaat op mijn schouder. ‘We dachten even dat je een vampier was.’ Gelach. ‘Omdat je zo zwijgend opdoemde uit de mist.’ Geschater. Een uur later zing ik arm in arm hits mee uit de jukebox.

Pas diep in de nacht neem ik afscheid. ‘Ga je ons niet vergeten’, vraagt ene Lisa, ‘als je dáár weer zit?’ Ze bedoelt New York. ‘Ze vergeten ons daar.’ Vier op de vijf Amerikanen woont in een stad – maar zo moet je het niet zien, zeggen ze hier. Iemand trekt op zijn telefoon een kaart tevoorschijn. ‘97 procent van dit land is géén stad.’ Hij zoomt in. ‘Dit zijn zij.’ En uit. ‘Dit zijn wij.’ Daar is dat gevoel van ruimte weer.

‘Ik beloof het’, zeg ik. Ook ik meen het.

‘Vooruit. Ga maar, voordat de zon opkomt.’

Iedereen lacht – en ik verdwijn weer in de mist.