COLUMNEva Hoeke

Van zorgeloos accepteren dat het is wat het is, is in het huis van zzp’ers geen sprake

Beeld Aisha Zeijpveld

In het begin van onze verkering, een wazige tijd waarin we nachtenlang rode wijn dronken in zijn rommelige appartement en ons nergens anders om bekommerden dan om de voorraad sigaretten en het opdelven van onze beste verhalen, liet de Man me een nummer horen van Bram Vermeulen, Wedstrijd. In dat nummer zit een repetitief stukje, dat zo gaat: ‘Papa kijk dan, papa kijk dan, papa kijk dan naar mij’.

Ik denk momenteel veel aan dat nummer.

We werken thuis, zoals zovelen, en dat deed ik altijd al, maar nu zijn daar mensen bij. Kleine mensen, om precies te zijn, een van 3 en een van 4, en hoe leuk ze ook samen kunnen spelen, hoe aardig ze ook samen zitten te knutselen, hoe verzonken ze ook zijn in hun spel van draken en kastelen, om de vijf minuten, en nu neem ik het heel ruim, roept er één: ‘Mama, kijk eens! Kijk eens naar mij!’

Sinds ik kinderen heb weet ik dat alles over erkenning gaat, over gezien worden, letterlijk, daar groeien ze van, en aangezien ik hoop dat ze later gelukkig worden en als het even kan steenrijk, kom ik ze daarin zoveel mogelijk tegemoet. Ik kijk wanneer die van 3 op het hobbelpaard klimt (‘Kijk dan, ik kan het helemaal zelf!’), ik kijk wanneer die van 4 een pirouette draait in een polyester eenhoornjurk met daaroverheen een feloranje Koningsdagrok en een ijsblauwe Elsa-cape, ik kijk zelfs naar hun pogingen om zuurstokroze grenadine van het ene naar het andere glaasje over te schenken, want kijken is kijken, al is het dan met achterdocht.

Maar erg productief ben ik niet, zie ik wanneer ik naar mijn agenda kijk. Opdrachten zijn geannuleerd, ons inkomen gehalveerd, van zorgeloos accepteren dat het is wat het is, is in het huis van zzp’ers geen sprake. De kans op het opbouwen van enig vermogen was al verdampt met het missen van de boot op de Amsterdamse huizenmarkt, maar inmiddels mogen we al blij zijn als we niet te veel interen op wat we nog hebben – een begin van een pensioen, een tweedehandsauto, een voorgenomen huwelijk. We draaien ploegendiensten, ik ’s ochtends, hij ’s middags en daarna houdt het wel zo’n beetje op: de avonden dat je bergen verzette met een muziekje op en een glaasje ernaast, andersom kan ook, das war einmal, tegenwoordig lig ik eraf na achten.

‘Mama, kijk!’

‘Nee jongens, niet doen, dat vindt de poes niet leuk.’

Kleine kinderen willen kleien en daarna willen ze schilderen en net wanneer je alles hebt klaargezet willen ze schommelen maar je hebt geen schommel, en dus geef je ze uiteindelijk maar de iPad, tegen de eigen regels in, maar als het niet gaat zoals het moet, moet het maar zoals het gaat, en heel even is het stil, zalig stil, een stilte waarin je gauw drie mails en een daverend ‘ja graag!’ stuurt op een opdracht waar je eigenlijk geen zin in hebt, want je zit niet langer in de positie om geen zin te hebben. Mijn kinderen mogen later worden wat ze willen, denk ik terwijl ik typ, alles mogen ze worden, als ze maar nooit de journalistiek in gaan, in ieder geval niet als zzp’er. ‘Niet doen’, zegt de Man wanneer hij binnenkomt voor een kop koffie en rechtstreeks mijn hoofd inkijkt, zoals hij toen ook al deed, in het begin, op die rommelige flat. ‘Het komt wel goed. Echt.’

Ondertussen, vanaf de bank, twee meisjesstemmen: ‘Dat is Olof.’

‘Dat is Olof.’

‘Praat me niet na!’

‘Praat me niet na!’

Het nummer van Bram Vermeulen eindigt zo: ‘Toen hij eindelijk keek, was alles al voorbij.’

Laat het waar zijn.

Meer over