ColumnThomas van Luyn

Van mijn guitige kop moet ik het niet hebben, dus pak ik maar een mes

Thomas van Luyn Beeld
Thomas van Luyn

’s Nachts een geluidje in huis, en ik verander in Rambo. De sluipende Rambo uit First Blood, wel te verstaan (best een goede film trouwens), niet de latere helikopterkanonnen-vurende gespierde versie. Mijn innerlijke moordenaar is slanker. Mijn uiterlijke trouwens ook. Hoe dan ook, ik spring uit bed, om naakt en geluidloos het huis te patrouilleren. Een gesloten deur, dat betekent dat er iemand achter staat die mij opwacht, dus die trek ik met de linkerhand open en met de rechter begin ik meteen de leegte erachter te stompen. Je moet het initiatief houden hè, met die lui. Pas als ik op deze wijze alle hoekjes en gaatjes veilig heb gesteld, mag ik van mezelf weer naar bed.

Deze performance voor één man zonder publiek vindt plaats wanneer ik een enge film heb gezien. Of een verontrustende documentaire, het maakt niet uit. Een bergbeklimmer die zonder touwen tegen zo’n rotswand opklimt heeft dezelfde uitwerking als een zombie-invasie. Adrenaline is een plakkerig goedje, als het in mijn lijf komt, kleeft het nog lange tijd aan mijn aderen. Midden in de nacht voel ik ineens de noodzaak om de perimeter veilig te stellen, hoewel de ‘bonk’ natuurlijk de poes was, want het is altijd de poes. Vaak denk ik: een pistool, ja ik ben erop tegen, maar jeetje, het lijkt me wel handig. Niet om te schieten natuurlijk, want dan wordt iedereen maar wakker en zo, maar om mee te zwaaien. ‘Zo mannetje,’ zal ik dan zeggen, ‘loop maar weer rustig de voordeur uit, en stil een beetje, want de nette mensen slapen en dat wil ik zo houden.’ En dan steek ik een sigaret op, wat best gek is want ik heb geen sigaretten en bovendien ben ik bloot, dus waar zou ik ze moeten laten, om over de aansteker nog te zwijgen. Maar we hadden het over mijn fantasie hè. Enfin, een vuurwapen heb ik niet. Dus als ik het echt op mijn heupen krijg, omdat ik, pakbeet, Straw Dogs heb gekeken, dan pak ik een mes uit de keuken. Daarbij verraadt zich overigens mijn weifelachtige karakter, want ik haal de messen eerst een voor een uit het messenblok om te kiezen welk geschikter is voor de klassieke conflictsituatie huisvader-seriemoordenaar. Ga je voor gewicht, of voor lengte? Of voor de blingfactor? Elke keer kies ik toch weer het botte koksmes. Daarmee kun je nog geen boter snijden, maar hij lijkt het meest op het horrorcliché, en we gaan toch meer voor de afschrikkende werking dan voor de effectiviteit. Een naakte man met een mes, dat zou toch angstaanjagend genoeg moeten zijn. Van mijn guitige kop moet ik het in ieder geval niet hebben. Voor de duidelijkheid: we hebben het hier over het woonkamerscenario waarin ik ruimte genoeg heb om te zeggen ‘Hé’, en dat hij dan een blote vent met een mes ziet en halsoverkop de deur uit rent. De kleinere ruimtes van het huis zullen natuurlijk altijd lastig blijven, dus dat is dan toch weer snel deuren opentrekken en gaten in de lucht steken geblazen. Trouwens: niet hakken hè mensen? Altijd steken, want dan kun je niet echt missen en het gaat sneller. Ja, je kunt veel van me zeggen, maar niet dat ik er niet over heb nagedacht.

Meer over