ColumnPeter Buwalda

Van het ene op het andere moment hing ik aan één been brullend boven het meer

Zo, goeiemorgen, welke onzin zal ik u vandaag weer eens voorschotelen, even zien – o nee, wacht, ik was vorige week begonnen aan een Netflix-column over mijn internationale diefstal van 26 eerste drukken van Iris Murdoch, vandaag staat deel twee op de rol.

‘Het was niet echt stelen’, bemoeit Jet zich ermee.

‘Welles.’

‘Nietes.’

‘Welles.’ (De rest van dit veel langere gesprek kunt u opvragen bij Bart Koetsenruijter.)

Nou vooruit, het was een ‘getrapte’ diefstal, al spreek ik liever van ‘schijven’. Het begon namelijk meteen al met een schijf, toen ik vlak voor mijn vertrek naar Denemarken, waarheen ik voor UT-Nieuws op reportage moest, mijn bankpasje kwijtraakte.

‘Perfect,’ zei Bert Groenman, mijn ouwe chef, ‘dan neem je maar traveler cheques mee, ga er maar voor 1.000 gulden halen, weten we meteen dat je geen gekkigheid uithaalt.’ (Mijn ouwe chef refereerde aan mijn vorige reportage, ik had vanuit Amerika een rubriekje doorgebeld, maar helaas met de hoteltelefoon op mijn nachtkastje, kosten: 768 dollar.)

Maar voor ik naar Aalborg vloog, hadden we eerst nog een jaarclubschijf, namelijk het vrijgezellenfeest van Bonkie, een slijtageslag met honderden programmapunten waaronder waterskiën op een Brabants watertje. Dit geschiedde niet achter een speedboot, maar aan een lier. Daar stonden we, in ons vrije weekend, gehelmd in ons zwemhansop, de eerste drie g’noten waren ruim voor de eerste hoekige bocht tegen de blauwalgen gekletterd. Nu stoof ik ervantussen, erg gracieus tot ieders verbazing, waardoor ik bij de eerste hoekpaal dacht, weet je wat, ik neem hem vandaag eens binnendoor, je moet altijd de kortste weg nemen, zeker bij sport, waarbij de afgelegde weg en de verplaatsing zich sowieso hilarisch slecht verhouden, haha, wie gaat er nou keihard rondjes –

Snok, daar vloog ik. Van het ene op het andere moment hing ik aan één been brullend boven het meer. Ik vond het al opmerkelijk, tijdens het lepe afsnijden kwam de lier helemaal slap te hangen, de vaart ging er uit, mijn ski’s begonnen al te zinken. Het sleepmotortje zoefde ondertussen vliegensvlug de hoekpaal om, waarna de economie griezelig hard aantrok, sidderend bijna, en bam, daar was-ie, de lier klapte keihard uit mijn vuisten en zwiepte zich een keer of drie om mijn bovenbeen.

Maar ook weer eraf, voelde ik, met een paar harde rukken maakte het rode nylon zich snijdend door mijn vlees weer los. Ik ben de nieuwe Captain Ahab, dacht ik toen ik met een fraai bommetje onder water verdween, deze waterski-baan in Brabant neemt mijn onderbeen, het ding wordt mijn Moby-Dick, ik zal tot in lengte van jaren jacht moeten maken op deze Brabantse waterskibaan – aan dat soort dingen dacht ik, maar ook: wat een enorme schijf is dit aan het worden, lezer, zo passen de andere schijven van de Deense boekendiefstal nooit meer in dit tweeluik. Waar blijven de eerste drukjes van Iris Murdoch?

Toen ik boven kwam, watertrappend met mijn gezonde been, naderde er een motorsloep, en staande op de boeg – ik zal het roerende beeld nooit vergeten – een schijf in de vorm van dr. Arnie, mijn jaarclub-g’noot en lijfarts, dit keer in vol bedrijf! Eindelijk!

Volgens mij samen met Haantje en Rizz trok hij me aan boord, bepotelde de cirkelvormige wond, en sprak (nogal schijvig, zal volgende week blijken): ‘Niks aan het handje Buwalda, zoet water ontsmet.’

Meer over