Van der Leeuwlezing 2020

Van der Leeuwlezing: Kunnen we van de 75 jaar die achter ons liggen nu eindelijk eens leren onze vrijheid eerlijk te delen?

Schrijver Marion Bloem houdt vanmiddag in de Martinikerk in Groningen de Van der Leeuwlezing over identiteit, vrijheid en herdenken in onzekere tijden. Dit is de volledige tekst.

Marion Bloem.Beeld Erik Smits

Als vrijheid is hou jij je mond want ik heb iets te zeggen...

Het jaar waarin 75 jaar Vrijheid in Nederland groots zou worden gevierd, zou voor mij extra druk worden, maar al voordat de lente begon pakte het heel anders uit. Op 3 maart 2020 werd mijn boek INDO gepresenteerd, een persoonlijke geschiedenis over identiteit. De inhoud, bedoeld als aanvulling op het Nederlands collectief geheugen, sluit naadloos aan op het thema 75 jaar Vrijheid. Mijn agenda voor 2020 stond daarom bol van kleine en grote lezingen her en der in het land, die vooral over identiteit en vrijheid zouden gaan.

Voor het eerst sinds 1945 zou er bij de geplande herdenkingen veel aandacht zijn voor de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië. En dat mocht ook wel, want de eerste generatie Indische Nederlanders voelde zich met betrekking tot hun oorlogservaringen veelal miskend. De meeste Nederlanders weten nog steeds niet waarom tussen 1945 en 1965 ruim 300 duizend Indische Nederlanders naar Nederland zijn gevlucht, en inmiddels zijn er in ons land ongeveer 1,2 miljoen van die Indische Nederlanders, als we ze nog zo willen blijven noemen.

Tot mijn verwondering leek de nadruk bij de herdenkingen vooral te liggen op 15 augustus 1945 als Bevrijdingsdag voor Indische Nederlanders; dat was de dag waarop de Japanse keizer zich na de bom op Hiroshima gewonnen gaf. Maar twee dagen erna, op 17 augustus 1945, riep Soekarno als eerste Indonesische president – voor de Tweede Wereldoorlog meermalen door de Nederlanders gevangengezet vanwege zijn nationalistische vrijheidsidealen – de onafhankelijkheid van de Republik Indonesia uit.

Bamboespiesen
Japan had als Aziatische overheerser laten zien dat de witte Hollanders die de lokale bevolking al driehonderd jaar hadden onderdrukt, niet onoverwinnelijk waren. In korte tijd had het Indonesische pubers geleerd om niet langer te buigen voor de kaaskoppen uit Europa, maar ze met bamboespiesen te lijf te gaan. Nationalistische jongeren gingen na de capitulatie van Japan meteen de straat op om Indische Nederlanders die de oorlog buiten de kampen hadden doorgebracht, te laten weten dat Nederlanders niet langer welkom waren. Er werden Nederlandse gezinnen vermoord. Vooral jongemannen van gemengde afkomst moesten het ontgelden. Die angstige periode, die voortduurde tot na de officiële overdracht van het land aan de Indonesiërs op 27 december 1949, werd door de Indische Nederlander de ‘bersiap’ genoemd. In Indonesië wordt die periode ‘Agresi Militer Belanda’ (Nederlands Militair Geweld) genoemd.

Er was geen vrijheid op 15 augustus 1945, integendeel. De omstandigheden werden voor Indische Nederlanders angstiger dan voorheen. Nadat er witte duiven waren losgelaten als bewijs van vrede, negeerde mijn moeder het advies van de Japanse bewakers om het interneringskamp niet te verlaten. Nog maar net zestien jaar oud, wilde ze naar haar tante toe, die de bezettingsjaren buiten het kamp had doorgebracht. Maar in de straat van haar tante was er die nacht een Nederlands-Indisch gezin in mootjes gehakt. Op een geleende fiets zonder banden haastte mijn moeder zich terug naar het kamp. Onderweg werd ze, herkenbaar als een Nederlands-Indisch meisje, door met bamboespiesen gewapende Javaanse jongeren tegengehouden. Als Australische militairen mijn moeder niet gered hadden, was ze door deze rampokkers – zo werden ze door de Nederlander genoemd –vermoord.

Zoals mijn moeder het formuleerde: ‘Tijdens de Japanse bezetting waren de regels duidelijk, je moest de jap gehoorzamen of je kreeg klappen. Maar tijdens de bersiap moest je constant op je hoede zijn, want je wist niet wie en waar de vijand was.’

Men had in Nederland geen idee hoe de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië was geweest, en er was nog minder bekend over de bersiap-tijd (de Indonesische revolutie). Door dat gebrek aan kennis voelde de generatie van mijn ouders zich in Nederland niet begrepen.

De angstige periode na de overgave van Japan, die voortduurde tot na de officiële overdracht van het land aan de Indonesiërs op 27 december 1949, werd door de Indische Nederlander de ‘bersiap’ genoemd.Beeld Spaarnestad Photo / HH

Braaf en gehoorzaam
Indische mensen met een donkere huidskleur werden doorgaans door de witte bevolking in Nederland als Indonesiërs beschouwd, terwijl zij juist naar Nederland gevlucht waren omdat zij geen Indonesiërs waren. Ze waren trots op hun Europese familienaam en hun Nederlandse identiteit. Na de Japanse bezetting hadden de KNIL-militairen geen bezwaar gemaakt toen hun soldij over de jaren dat ze in Japanse krijgsgevangenkampen hadden gezeten, niet werd uitgekeerd. Bij terugkeer uit de kampen betaalden ze zelfs braaf voor hun eigen militair uniform en meldden ze zich gehoorzaam aan om zich in te zetten voor ‘orde en rust’ in hun geboorteland.

Vier jaar later, toen Nederland door internationale druk gedwongen werd de kolonie op te geven, werd er door de Nederlandse officieren gepraat als Brugman om te proberen de Nederlands-Indische militairen met de laagste rangen ervan te weerhouden naar Nederland te vluchten. Maar de haat tegen juist hen, die militairen van de frontlinie, was vanwege hun trouw aan de Nederlandse vlag zo groot dat ze in hun geboorteland niet meer veilig waren.

Eenmaal in Nederland moesten hogere Nederlands-Indische ambtenaren met veel lagere posities genoegen nemen dan hun functie in Nederlands-Indië. Indische Nederlanders met een toch al laag loon en met diploma’s die in Nederland hun geldigheid verloren, kampten jarenlang met hoge schulden bij het rijk in ruil voor eten, kleding en meubels die ze niet zelf hadden mogen uitkiezen.

Ik was tien, elf jaar oud, toen ik op weg naar school zag dat bij een Indische familie de meubels in een vrachtwagen werden geladen. Het was geen verhuizing. De Indische dame huilde en smeekte vergeefs of ze een deel mocht behouden.

Mijn vader, die erachter kwam dat ik soms op de pof voor mijn moeder boodschappen deed, had onze kruidenier gezegd dat hij niks meer op rekening mocht leveren. ‘Ik schaam me dood’, huilde mijn moeder, en mijn vader antwoordde: ‘Je moet je pas echt schamen als ze op een dag ook bij ons de meubels komen weghalen.’

Ogenschijnlijk geheel aangepast, met hun trauma’s in hutkoffers op zolder, eiste de eerste generatie Indische Nederlanders van hun kinderen dat ze zich aanpasten aan Nederland. De keuze om het geboorteland te verlaten was vooral omwille van de toekomst van hun kinderen geweest. Over hun geleden leed spraken ze nauwelijks. Bovendien zaten hun kinderen, in hun ijver om erbij te horen, niet te wachten op verhalen over vroeger. En wat de kinderen op school leerden sloot meestal niet aan bij wat thuis mondjesmaat werd verteld.

Indische Nederlanders hadden, zonder het zelf goed te beseffen, in Nederlands-Indië geleefd met schaamte over hun gemengde afkomst. Als je in Nederlands-Indië in een kazerne geboren was, was dat een schande. Ook als je een (klein)kind van een zogenoemd kazernekind was, kon je dat maar beter geheimhouden. Dus al komen de meeste Indische Nederlanders, zoals mijn oma, voort uit een relatie tussen een arm Indonesisch meisje en een Europese militair van lage rang, er werd als vanzelfsprekend gezwegen over die afkomst.

Tropisch luxeleventje
De koloniale samenleving was er een van rangen en standen. De kleine bevoorrechte groep witte Europeanen met de grootste privileges keken niet alleen neer op mensen met een niet-witte huid, maar ook op de geronselde militairen uit alle delen van Europa, Azië en Afrika. Alsof ze niet wilden weten dat deze militairen hun leven gaven voor het behoud van hun tropische luxeleventje. Ze konden zichzelf wijsmaken dat de vele koloniale expedities –eufemismen voor oorlogen – gehouden werden voor het vullen van de Nederlandse schatkist, en niet tevens om ervoor te zorgen dat zij zich op de veranda van hun grote woningen in een tropisch nirwana konden wanen. De witte dames in hun smetteloze witte kleding, omringd door buigende bediendes, waren blind voor de erbarmelijke omstandigheden waaronder die geronselde militairen leefden. En velen negeerden het gestaag groeiende deel van de Nederlands-Indische bevolking dat niet wit was zoals zij, en evenmin bij de lokale bevolking hoorde, zoals ze ook vanzelfsprekend hun adem inhielden wanneer ze in hun open rijtuig, wuivend met de waaier, een vuilnisplaats passeerden.

Wanneer je je in de koloniale samenleving wilde opwerken moest je zo wit mogelijk zijn, of je anders op z’n minst zo wit mogelijk gedragen. Je moest je gemengde achtergrond verloochenen. Voor Indische Nederlanders zat er niets anders op dan zich te richten naar wat die koloniale samenleving van hen eiste. Eenmaal uit het moeras omhoog geklommen, keken ze zelf neer op de groep die nog in de modder rond spartelde.

Schaamte over een tijdperk waarin twaalf-, dertien-, veertienjarige dochters van arme Javaanse boeren naar de kazernes in Atjeh op Sumatra werden verscheept om daar als slavinnen aan Europese militairen te worden aangeboden, maakt dat er over deze vorm van slavernij, die ook ver na de afschaffing van de slavernij plaatsvond, niet werd gesproken of geschreven. Door die schaamte weten veel Indische mensen van mijn generatie weinig of niets van hun afkomst. Er werd hen vaak voorgehouden dat hun Javaanse oma of overgrootmoeder een prinses van de Kraton van Solo of Yogya was. Of simpelweg ‘een prinses’.

Ook mijn opa zei dat er in zijn stamboom een prinses zat. Maar echte Javaanse prinsessen die binnen de muren van de Kraton opgroeiden, hadden geen reden om hun veilige paleis te verlaten. Die beschermde prinsessen genoten privileges die arme boerendochters niet hadden. Mochten die prinsessen voor de Tweede Wereldoorlog nog niet hebben geweten van de koloniale legers op verafgelegen eilanden die de vorsten en volkeren aldaar dwongen zich te onderwerpen aan Nederland, dan kregen ze tijdens de Japanse bezetting alsnog vaak wel inzicht in die koloniale praktijken.

De kolonie Nederlands-Indië was gebaseerd op een verdeel-en-heerscultuur waarbij gebruik werd gemaakt van het eeuwenoude Javaans feodalisme. Met hulp van de Javaanse adel konden Javaanse boeren gedwongen worden te verbouwen wat de koloniale overheid hen opdroeg. Arme boeren konden hun te hoge belastingschuld deels aflossen door hun jonge dochters aan de schuldeisers af te staan.

Lege schatkist
Vanwege de lege schatkist was Nederland na de bevrijding van Duitsland in 1945 niet van plan om Nederlands-Indië op te geven, maar nu kreeg het geen steun meer van alle Javaanse vorsten. Nederland begon daar in de Gordel van Smaragd met valse beloften, eufemistisch taalgebruik, politieke vaagheid en tegenstrijdige boodschappen een andere oorlog. Nederlands-Indische en Molukse militairen, evenals mannen van de lokale bevolking met een andere culturele achtergrond, evenals jonge Nederlandse mannen die zo kort na de Bevrijding van Duitsland onder de wapenen werden geroepen, en nog nauwelijks van hun vrijheid hadden kunnen proeve, werden door de Nederlandse overheid een koloniale oorlog in gestuurd die, dat had Nederland toch moeten leren van de Duitse bezetting, Nederland niet had moeten, niet had kunnen en niet had mogen willen winnen. Ik vond en vind het om die reden ongepast om 15 augustus 2020 als datum te nemen om 75 jaar Vrijheid te vieren.

Omdat ik wilde weten hoe het is om een koloniale oorlog ingestuurd te worden en dan te ontdekken dat je niet aan die oorlog wilt deelnemen, maakte ik in 1984 de documentaire ‘Wij komen als vrienden’, een film over deserteurs die tussen 1945 en 1949 om uiteenlopende redenen en op verschillende tijdstippen uit het Nederlandse leger stapten.

Een van de deserteurs in deze film is Piet van Staveren. Hij had tijdens de Duitse bezetting in het verzet gezeten. Toen hij na de Bevrijding werd opgeroepen om naar Indië te gaan, weigerde hij principieel. Ze dreigden hem naar de gevangenis te sturen waar ex-NSB’ers en ex-SS’ers gevangen zaten. Die NSB- en SS-gevangenen konden hun straf overigens kwijtgescholden krijgen als ze bereid waren te vechten voor het behoud van de kolonie. Zo vond ik in 1984 in Bandung een Nederlander die tijdens de Duitse bezetting de treinen met Joden had gereden. De verzetsheld Piet van Staveren kwam in 1946 als dienstplichtige alsnog in de Onafhankelijke Republiek terecht en liep daar meteen over naar de andere kant zonder er ooit een wapen vast te houden. Na de overdracht in december 1949 werd hij als deserteur zeven jaar lang in de Groningse gevangenis opgesloten tussen mannen tegen wie hij tijdens de Duitse bezetting had gestreden.

Over het vieren van 75 jaar schijnvrijheid had ik aldus mijn twijfels, maar de noodzaak van het herdenken van, en het stilstaan bij de slachtoffers die mede door onszelf zijn gemaakt, dat belang zag en zie ik natuurlijk wel. Wij, Europese ontdekkingsreizigers, handelsreizigers, overheden, koloniale regimes konden overheersen, uitroeien, slaven maken omdat we mensen van een ander ras niet als gelijkwaardige mensen beschouwden.

Trapjesdenken
In mijn boek INDO gebruik ik in verband met die structurele en geïnstitutionaliseerde ongelijkheid de term ‘trapjesdenken’. Het is een begrip dat ik in gedachten nam toen ik op de middelbare school zat en mij ervan bewust werd dat ik voor een deel via mijn ouders, voor een deel via het onderwijs en voor een deel als zelfbescherming mensen op een andere traptrede zag staan dan mijzelf. Velen op dezelfde trede, maar sommigen lager, sommigen hoger, en dat er op het trapje in mijn hoofd verplaatsingen mogelijk waren als ik daar mijn best voor deed. De plaats die ik gevoelsmatig meekreeg strookte niet altijd met die van de volwassenen uit mijn grote familie, of met die van volwassenen in de buitenwereld. Soms evenmin met mijn klasgenoten.

Mijn oma, opa, mijn ooms en tantes konden in geuren en kleuren vertellen over hoe zij in hun prille jeugd al leerden dat zij ‘minder’ waren dan de koloniale witte bovenlaag, daarom nu eenmaal minder kansen hadden en altijd minstens twee keer zo hard moesten werken om dan nog niet eens hetzelfde te bereiken. Mijn opa adviseerde mij om ook dubbel zo hard mijn best te doen omdat ik een bruintje was. Ik leerde van mijn familie over institutioneel racisme zonder dat het fenomeen werd benoemd.

Structureel racisme
Doordat ik me al op jonge leeftijd bewust werd van structureel racisme, las ik de op school verplichte koloniale literatuur al met enige wrevel. En het verbaast me dat er na zoveel jaren nog altijd auteurs zijn die met nostalgie schrijven over de koloniale tijd van hun ouders en grootouders en daarbij beelden oproepen van tropische bloemrijke veranda’s met jonge bruine gespierde tuinmannen en gehoorzame Javaanse schonen. Als schrijver weet ik hoe heerlijk het is om je te verplaatsen in die koloniale tijd waar je nooit zelf de was hoeft te doen en niet zelf hoefde te koken, de hele dag naar muziek kon luisteren en boeken lezen, of liever nog, die boeken zelf kon schrijven. Een heerlijke portie bami voor een habbekrats bij de straatverkoper die neerhurkt bij de onderste trede van je bordes. De masseuse aan huis die voor dat zweterige uurtje minder betaald krijgt dan de prijs van een portie gadogado in het sobere eethuisje om de hoek. Het paradijs zou hebben bestaan... maar ten koste van wie en van wat?

Hoe kun je nostalgisch schrijven over het koloniale leven en verzwijgen dat dit gewaande paradijs voor enkelingen gewaarborgd werd dankzij overheersing, slavernij, onderdrukking, geweld, mensenhandel, ongelijkwaardigheid, discriminatie, honger?

De koloniale geschiedenis is niet iets van de verleden tijd, ze is als onderdeel van de Nederlandse geschiedenis nog altijd voelbaar in onze huidige tijd en het is de hoogste tijd voor dekolonisatie van Nederland. Het Nederlandse heden draagt nog de sporen van die koloniale periode en meer dan de gemiddelde Nederlander zich wil realiseren. Er zijn er die in elk detail een spoor van kolonialisme en racisme herkennen en er zijn er velen die prefereren daarvoor blind te blijven.

Het begrip ‘postkolonialisme’ suggereert dat het achter ons ligt. De sporen ervan liggen echter in het gedrag van mensen, in de politiek en in uitspraken van politici, kortom in ons collectief (onder)bewustzijn. En we kunnen ons er alleen van ontdoen door ons van die sporen bewust te worden.

Het neerkijken op een ander impliceert dat je het niet zo nauw neemt met wat die ander overkomt, en dat je ook geen rekening wenst te houden met gevoelens van die ander, dat je van het bestaan van diens gevoelens liever niet op de hoogte bent, en dat je baalt dat je het bestaan van die ander als je medemens helaas niet kan ontkennen.

Waarom leerden wij zo weinig van de Duitse en de Japanse bezetting over onze eigen neiging om andere volkeren de baas te willen zijn? Waarom was er een heftige onafhankelijkheidsstrijd nodig voordat wij konden inzien dat wij geen recht hadden op een Nederlands-Indië? Of vond de Nederlander stiekem eigenlijk nog altijd dat hij wel recht had op die kolonie, en duurde het daardoor zo lang; en is het nog altijd zo dat er zoveel van die tijd in archieven opgesloten is gebleven en onder het rood-wit-blauwe tafelkleed is weggeveegd?

Wij – daarmee bedoel ik: ieder mens – torsen de traumatische ervaringen van onze ouders en grootouders als een rugzakje op onze schouders mee. Onze meningen, gevoelens, bezorgdheid, boosheid, frustraties en vreugdes hebben meer met dat rugzakje te maken dan we willen beseffen.

Trapjesdenken
Al kunnen we in onze moderne westerse samenleving meer racisme en racistisch gedrag aanwijzen van wit ten opzichte van zwart, we maken onszelf allemaal schuldig aan ‘trapjesdenken’. Niet alle ongerechtigheden in de wereld(geschiedenis) zijn terug te brengen tot  racisme, maar mijns inziens wel voor een groot deel op ‘trapjesdenken’.

‘Trapjesdenken’ is nooit twijfelen aan je privileges en op welke basis je die hebt verkregen. Het is ervan uitgaan dat je je status quo zonder meer verdient, terwijl die door maatschappelijke omstandigheden van je ouders, wellicht grootouders en door de kleur van je huid is bereikt. Je ‘trapjesdenken’ loslaten is onder andere inzien dat anderen met een niet zo rooskleurige status quo misschien net zoveel of meer talenten hadden dan jij, maar alleen een andere huidskleur hebben, of tot een andere cultuur behoren, of toevallig in een land opgroeiden waaruit ze om een of andere reden hebben moeten vluchten om elders een menswaardiger bestaan te kunnen leiden.

Mijn eigen bewustwording begon ergens in 1962 op de lagere school, toen ik naar voren gehaald werd als voorbeeld van het Aziatische ras. Ik was enerzijds een beetje trots om toch ergens bij te horen, want dat ik niet bij ‘het witte ras’ hoorde was mij op jongere leeftijd al door mijn leeftijdgenoten of hun ouders op pijnlijke wijze duidelijk gemaakt. Maar ik voelde me tegelijk vernederd door de eigenschap ‘lui’, die deze onderwijzer het Javaanse ras toeschreef. Toen ik er thuis over vertelde kreeg ik van mijn ouders de opdracht om de onderwijzer uit te leggen dat hij zijn eigen geschiedenis niet kende. Ik was geen Javaanse en ik was niet van het Aziatische ras. Ik was vermengd, ik was zowel Europees als Aziatisch, en daar moest ik trots op zijn. Ik ervoer mijn ouders’ verongelijktheid alsof het Aziatische ras minder was dan het blanke ras, waar volgens mijn onderwijzer bijna de gehele Nederlandse bevolking toe zou behoren.

Alle kleine en grote ervaringen uit mijn jeugd droegen ertoe bij dat ik op de middelbare school als enige leerling de geschiedenisleraar die de apartheid in Zuid-Afrika verdedigde,  tegensprak.

Angela Davis
In die middelbare schoolperiode werd ik getreiterd door een groepje hockeyjongens omdat ik hun populaire aanvoerder had afgewezen. Ik merkte dat deze witte jongens op mijn afwijzing anders reageerden dan op die van mijn witte vrouwelijke klasgenoten en schreef ‘Black Power’ op mijn agenda en mijn schooltas. Ik identificeerde me met Angela Davis. In de zomervakantie knipte ik mijn lange steile haar af en zette er een stevige permanent in om met een grote kroeskop mijn solidariteit te tonen met zwarten in de Verenigde Staten in hun strijd om gelijke rechten. Ook trachtte ik daarmee, in mijn groeiend besef van ongelijkheid in de Nederlandse samenleving, mijn loyaliteit naar Molukse groeperingen vorm te geven. Mijn kapselwijziging droeg helaas niets bij aan de politieke strijd van zwarten in andere delen van de wereld, evenmin aan het bewustzijn van mijn medescholieren. Wat ik vooral merkte was dat ik als lifter niet meer zo snel werd meegenomen als voorheen. En in het zwembad werd ik minder vaak lastiggevallen. Zo ik het niet al was, werd ik een eenling en ik werd op school nog eenzamer dan ik al was.

Mijn 2020 zou geheel in het teken hebben gestaan van het tot nog toe nog veel te onzichtbare, onbekende zwarte deel van de koloniale geschiedenis, als covid-19 dat halverwege maart niet drastisch had veranderd. De overheid kwam met de eerste coronamaatregelen. De 1,5 meter afstand werd ingevoerd en verpleeghuizen werden gesloten. Ik wist niet of ik mijn moeder nog wel in haar huurhuisje mocht bezoeken. Zij had wekelijks rond de twintig verzorgers over de vloer. De een bleef drie á vier uur, de ander slechts drie, vier minuten. Volgens de officiële regels moest ik bij haar wegblijven, maar mijn 90-jarige moeder met alzheimer zou er niets van begrijpen als ik mij niet meer zou laten zien. Ik was niet bang om zelf besmet te raken met het coronavirus, maar mijn man moest niet bovenop zijn prostaatkanker ook nog een coronavirus hoeven verslaan. En mijn moeder, die in een paar weken erg verzwakte en voor wie ik al zeven jaar de mantelzorg deed, zou een coronabesmetting beslist niet overleven.

Een paar verzorgers durfden niet meer te komen uit angst voor corona. Ik negeerde mijn bezorgdheid om mijn echtgenoot en was dagelijks bij mijn moeder. Mijn moeder stierf op 1 april 2020 in mijn armen. Niet aan covid-19, maar omdat ze van de ene op de andere dag eten en drinken weigerde en in het Indonesisch meedeelde dat ze van hier weg wilde, terug naar de oorsprong.

Alles wat mijn ouders in de jaren sinds hun aankomst per boot in Rotterdam op 24 december 1950 hadden verzameld, hadden zij in hun huurhuis bewaard. Terwijl ik dag in dag uit bezig was met de administratieve en praktische klussen aangaande het overlijden van mijn moeder, krap drie jaar nadat ik mijn zus al had verloren, kwam via de mail afzegging na afzegging binnen. Lezingen, evenementen, herdenkingen waarvan sommige al twee jaar eerder waren vastgelegd, zouden niet doorgaan vanwege de coronacrisis. Alles werd ofwel uitgesteld tot nader te bepalen datum (of definitief) afgelast.

Het drong niet tot mij door. Ik was niet verdrietig, misschien was ik wel enigszins opgelucht. Enerzijds omdat mijn moeder er zelf voor had gekozen om deze wereld te verlaten, anderzijds omdat ik even werd ontslagen van mijn werkplicht.

Mijn broers, die sinds hun afstuderen in het buitenland wonen, konden vanwege de coronacrisis niet overkomen. Met twaalf familieleden namen we op de parkeerplaats van het crematorium afscheid van de kist, zonder eerbetoon aan deze moedige vrouw die haar hele leven ten dienste had gesteld van haar kinderen.

Vanwege de coronamaatregelen moest ik het ouderlijk huis in mijn eentje leegruimen. Het waren de heetste dagen en de ventilatiemogelijkheden in dat huurhuis dat in de jaren vijftig in verband met de woningnood haastig met honderden andere uit de grond was gestampt, waren nihil. Elke kamer had meerdere kasten, tegen elkaar aangeschoven. Er was nauwelijks loopruimte. Zodra het me lukte een kast of een lade te openen, viel de inhoud eruit. Soms gooide ik wat ik tegenkwam zonder het te bekijken in de container, maar het kwam ook voor dat ik urenlang geboeid in vakantiedagboeken van mijn moeder zat te lezen, schriftjes die ze me destijds wel had laten zien, maar waar ik toen geen tijd voor had kunnen of  - sorry mama - willen maken.

In die waanzinnige hoeveelheid papieren stuitte ik op een getypte brief, gedateerd op 31 dec 1963. Hij kwam van het ministerie van Maatschappelijk Werk. Links bovenin stond in kleine lettertjes: ‘Steeds één zaak in een brief behandelen’.

Het onderwerp was: ‘Buiteninvorderingstelling meubelvoorschot’.

De inhoud van de brief begreep ik niet meteen. Zou mijn vader, aan wie de brief gericht was en die eenvoudig Nederlands sprak, de brief wel hebben begrepen of zou hij ermee naar kennissen zijn gegaan die beter thuis waren in ambtelijke taal?

Vanaf januari 1953 was maandelijks een deel van zijn loon ingehouden vanwege een meubelvoorschot van het rijk. Na de laatste aflossing in de maand januari van 1964 zou hij voor die niet zelf uitgekozen meubels nog altijd 878 gulden schuldig zijn. En deze schuld zou na de laatste betaling van januari 1964 niet meer nodig zijn, tenzij hij op een of andere wijze ooit nog overheidsuitkeringen zou ontvangen, want dan werd daarvan alsnog die 878 gulden afgetrokken. Terwijl ik tussen vele dozen met papieren om mij heen op hun versleten vloerbedekking over de inhoud van die getypte brief gebogen zat, starend naar de balpointhandtekening van het hoofd van de afdeling Financiële Zaken en Comptabiliteit, die namens de minister van maatschappelijk werk deze brief had ondertekend, met daarnaast een onduidelijke slordig geplaatste stempelafdruk van de naam van die minister, brak ik. Voor de eerste keer sinds mijn moeders overlijden.

Het huis van mijn moeder, met alle correspondentie van familieleden, kerstkaarten, felicitatiekaarten, ansichtkaarten en brieven, dozen administratie, extra krukken, stoelen, matrassen, bedden, en kasten vol oneindig veel linnengoed, wilde maar niet leeg worden. Ik las geen krant meer, ik had geen tijd meer voor het nieuws, ik ploegde voort in dat volle huis waar ik van mijn derde tot mijn negentiende verjaardag woonde.

Eind mei knielt in Minneapolis, in de Verenigde Staten, een witte agent minutenlang met zijn knie op de nek van een zwarte man, waarna de zwarte man overlijdt. De overweldigende opkomst op de Dam in Amsterdam voor de ‘Black Lives Matter’ demonstratie werd door een groot deel van de media niet opgepakt als een uiting van groeiende bewustwording op het vlak van structureel racisme, maar aangegrepen om de burgemeester van Amsterdam te beschuldigen van verzuim in te grijpen vanwege het overschrijden van de coronamaatregelen.

Dit haalde mij uit mijn rouwslaap. Ik was teleurgesteld, boos, droevig omdat we klaarblijkelijk geen stap verder waren dan in de jaren zestig, toen in de Verenigde Staten zwarten op diverse universiteiten niet werden toegelaten en de oorzaak van de rellen die daardoor ontstonden in sommige kranten afgewenteld werden op de zwarte jongeren die gewelddadig zouden zijn.

Omdat ik in mijn eigen huis ruimte moest creëren voor de dozen die ik uit mijn moeders huis weghaalde, begon ik mijn eigen werkkamer op te ruimen terwijl de verhitte discussies rondom ‘Black Lives Matter’ voortgingen. Bij het leeghalen van enkele planken in mijn werkkamer, waarbij ik lukraak manuscripten weggooide, doken mijn middelbare schoolagenda’s op. Op een ervan stond de door mij met ballpoint getekende Black Powervuist. Op een andere was het papier dat op de voorkant geplakt was eraf gescheurd, en ik herinnerde me welke vervelende jongen dat had gedaan. Op dat papier had ook een zwarte vuist gestaan. Ik begon in de agenda’s te bladeren en bekeek de kreten die ik over het huiswerk heen had gekliederd omdat ik mijn mening alleen in mijn agenda kwijt kon. En ik kwam zinnen tegen die ik recentelijk via de sociale media had zien langsgekomen. Was er sinds de sixties nog zo weinig veranderd?

Mijn moeders huis was leeg. Ik kon dankzij versoepelde coronamaatregelen eindelijk weer eens op bezoek in het appartement van mijn zoon. Op zijn raam was een papier geplakt waarop met balpen een Black Powervuist getekend stond, precies zoals ik die als zeventienjarige in 1968, 1969 en 1970 in mijn schoolagenda en op mijn schooltas had gezet.

Mijn 10-jarige kleindochter had deze getekend en hem vervolgens op het raam geplakt.

Misschien is er toch wel iets veranderd. Als zo’n meisje van tien, dat in een witte gemeenschap opgroeit met veel witte privileges, beseft wat er bedoeld wordt met ‘Black Lives Matter’, is dat een stap vooruit. Net zoals het goed is dat jonge mensen, kinderen, zich inzetten voor een stikstofvrije samenleving. Zij moeten verder, en wij, wij die de opwarming van de aarde veroorzaakt hebben, gaan dood en zullen daar weinig van hoeven meemaken.

Trapjesdenken is opkijken en neerkijken en jezelf positioneren ten opzichte van de ander, binnen een cultuur, binnen de samenleving, en als bewoner op deze aardbol; in het heden ten opzichte van de toekomstige wereldbewoners en die uit het verleden, ongeacht van welke soort; de ‘ik’ ten opzichte van alles wat leeft.

Misschien leren we van deze pandemie, die ieders vijand is, en die door bloggers soms wordt vergeleken met oorlog. Protesten van groeperingen die zich vooral focussen op de vrijheid die hen ontnomen wordt, staan lijnrecht tegenover groeperingen die maatregelen van de overheid klakkeloos willen volgen uit angst om te sterven.

Binnen die twee uitersten zouden we samen een weg moeten kunnen vinden. Of het nu over de dreiging van een ons nog onbekend virus gaat, over racisme, vluchtelingencrisis of over opwarming van de aarde, we zouden eindelijk bereid moeten zijn om te leren van alles wat ons is overkomen en wat ons nu overkomt.

Kunnen we van de 75 jaar die achter ons liggen, of liever nog van de 100 of 300 jaar achter ons, nu eindelijk eens leren om onze vrijheid eerlijk te delen?

STICHTING VAN DER LEEUW-LEZING

De Stichting Van der Leeuw-lezing, genoemd naar de Groninger theoloog Gerardus van der Leeuw (1890-1950), werd opgericht op 22 april 1983.

De jaarlijkse lezing is een initiatief van de stad Groningen, de provincie, de Hanzehogeschool, de Rijksuniversiteit en het Universitair Medisch Centrum Groningen, de Stichting Martinikerk en de Volkskrant.

‘Voor de trauma’s van Indische Nederlanders is in dit land geen ruimte’

Marion Bloem spreekt namens 1,2 miljoen Indische Nederlanders als ze vertelt over het onverwerkte leed dat haar familie heeft opgelopen. Ze gidst ons door een vergeten geschiedenis aan de hand van zes objecten.

Op 17 augustus 1945, werd de Indonesische onafhankelijkheid uitgeroepen. Sindsdien is Indonesië een bron van inschattingsfouten en emoties gebleven.

De strijd tegen racisme is terug van nooit weggeweest. Hier vindt u een verzameling van stukken over de wereldwijde opstand tegen racisme.

Nederland werd 75 jaar geleden bevrijd. Daarom presenteert de Volkskrant 75 bevrijdingsverhalen over mensen die erbij waren.

Meer over