ColumnPeter Buwalda

Van de 5 gulden zakgeld die Buwalda kreeg kon hij naast gevulde koeken niet ook nog lp’s kopen

Wat altijd weer groeit, bloeit en boeit, is niet de natuur, zoals Midas Dekkers verkondigt, maar Sounds in Venlo, de beste platenzaak van Nederland. Ik weet dat, want ik kom uit Venlo. Veel van wat mijn bakermat voortbrengt is van de bovenste plank met zalmneusjes, of het nu om potentiële dictators gaat (Wilders) of om Idols-winnaars (Boris aka Bo-Rush aka Bo Saris aka I am Boris).

Vaak ben ik er niet meer, maar altijd loop ik even binnen bij Geert en de Bril [dat zijn de bazen van Sounds, PB] en koop in het kwartiertje voor mijn trein vertrekt vele, vele cd’s.

Dit om het goed te maken. Toen ik nog ‘woonachtig’ was in Venlo (rampzalig woord, ‘woonachtig’, je zegt toch ook niet dat Memphis ‘loopachtig’ is tussen de linies, of dat het Westen ‘schijtachtig’ is in zijn broek voor de Saoedi’s?) deden we het namelijk precies andersom, toen bleven we steevast heel lang bij Sounds, soms wel drie uur, en kochten we juist luttele cd’s, namelijk: nul.

‘We’ zijn Leistra en ik. En Leistra is Sander, mijn middelbareschoolvriend die net als ik maar 5 gulden zakgeld kreeg waarvan de helft aan de strijkstok van de Centra bleef hangen, waar we pakken kano’s kochten, de illustere zaterdagavondtraktatie, bedoeld voor tijdens de Willem Ruis Show. In feite waren kano’s gevulde koeken in een verkeerd lichaam, langwerpige, hoge baksels, met nog wel een verdwaald amandeltje, maar ondertussen ook niet lijkend op de kano waarmee Witte Veder op zaterdagavond naar het COC van Etten-Leur peddelt.

Een tragische koek.

Leistra en ik kaanden ze niettemin midden op de dag weg, zwijgend op onze bagagedragers.

U begrijpt, centjes voor een lp, eentje maar, resteerden niet. Toch gingen Leistra en ik heel vaak naar Sounds – lp’s luisteren. Om te kijken of we ze goed genoeg vonden, zeg maar. Uren wikken en wegen aan de bar. De bazen gaven geen krimp, al heerste er een loodzware norsheid. Ze zeiden niks tegen ons. Als ik aan Geert vroeg of hij toevallig iets van Muddy Waters had, dan ging hij me zwijgend voor naar de bak met Muddy Waters. Tegen de Bril, een klein compact kereltje, durfden we sowieso niks te zeggen.

Ik was serieus bang voor de Bril. Dat hij een keer uit zijn vel zou springen. Om hem op straat tegen te komen. Leistra had de Bril één keer tegen Geert horen zeggen: ‘Geert, doe jij even.’ Alleen daarom wisten we hoe Geert heette, omdat hij Leistra’s lp moest omdraaien.

Op een zaterdag maakten we het heel bont, er heerste topdrukte. Mijn vader had me een briefje van 25 meegegeven voor Moederdag, ten behoeve van geurkaarsen, maar eerst gingen we tot diep in de middag bij Sounds zitten, met dat geeltje nonchalant tussen ons in op de bar, zo van: beste Geert en de Bril, het gaat nu echt gebeuren, we gaan er een KOPEN.

Lp na lp na lp – een kwartier voor sluitingstijd leek er wel ingebroken bij Sounds.

Ik zie nog de kop van de Bril. Hij blikkerde ons aan, zijn kin ging omhoog: wat wordt het, heren. Hij was een handgranaat.

Leistra tuitte zijn mond, hij wiebelde kieskeurig met zijn hoofd. Ik vouwde het briefje van 25 op als een servet en stopte het weg. Mijn lippen pletten zich tot een spijtig streepje.

Meer over