ColumnThomas van Luyn

Van al die jongens droeg er niet één make-up of nagellak, ook wel best apart in het Amsterdam van nu

Thomas van Luyn Beeld
Thomas van Luyn

De Amsterdamse wijk IJburg beweert het grootste skatepark van Europa te hebben, maar dat bepalen skaters zelf wel. Als zij besluiten dat de Q-park van Zoetermeer een skatepark is, dan is dat zo. Maar het moet gezegd: IJburg heeft een indrukwekkende hoop zwierig beton bij elkaar. Er zijn een paar enorme zwembadkuipen, zo diep en steil dat je er niet in- of uitkomt zonder een flinke koffer skills en lef. Ik zag één vent zijn board kwijtraken toen hij ver boven de rand uit vloog. Zelf landde hij met beide benen keurig op de wal, maar zijn board viel op de bodem, en ik was benieuwd hoe hij die in een metersdiepe kuip zonder helling of ladder ging terugkrijgen. Simpel: gewoon springen, op je kniebeschermers naar beneden sleeën, en daar opnieuw genoeg vaart maken om weer een meter of drie recht omhoog te rijden. Onge-fucking-lofelijk. Dat ga ik in dit leven niet meer leren.

Voor de kleintjes en oudjes zijn er simpeler parcoursjes en heuveltjes, supersympathiek allemaal, en het hele park werd druk gebruikt. Je moet als niet-skatende bezoeker dan ook oppassen waar je gaat zitten. Ik dacht even op een bankje mijn eigen kleine skatertje te kunnen bewonderen, riep meteen een jongeman met ontbloot bovenlijf: ‘meneer, wilt u daar even weggaan’, met de autoriteit van iemand van dertig jaar ouder en vijf salarisschalen hoger. ‘Sorry, sorry’, mompelde ik, en maakte me uit de voeten. En inderdaad, een paar seconden later vloog het menneke met hoge snelheid over de constructie die dus blijkbaar geen bankje was, maar een ramp (rèmp dan hè).

Al die drukte leverde een wonderlijk geluid op, een eindeloos suizen van wieltjes en klappen van boards dat maar doorging en doorging, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat vermoed ik. Er was iets met dat geluid, iets waar ik eerst niet mijn vinger op kon leggen, het duurde even voordat ik het hoorde, juist omdat het niet te horen viel: de stilte. Zo veel jongens die zich vlak bij elkaar uitsloven; in elke andere situatie levert dat een hoop gebral en gejoel op, maar hier heerste een merkwaardige stilte. Geen kreet, geen vloek, geen lach zelfs. Concentratie, waarschijnlijk. Of het feit dat er geen meisjes waren, misschien dat jongens dan minder drang voelen om luide geluiden te produceren.

Best wel opvallend, trouwens, dat gebrek aan meisjes. Cultureel was het behoorlijk divers, qua huidskleur en sociale strata, maar niet qua sekse dus. Ja, bij de toeschouwers aan de de zijlijn, maar niet op wieltjes. En van al die jongens droeg er niet één make-up of nagellak, ook wel best apart in Amsterdam vandaag de dag. Blijkbaar is dat skaten een ouderwets jongensding. Of mannending, want er zaten ook dertigers en veertigers tussen, soms met hun zoontjes. Vijftigplussers zag ik niet, en ik weet niet of dat komt doordat het skatefenomeen pas sinds eind jaren tachtig bestaat, of dat het boven die leeftijd gewoon te link wordt, qua dingen breken. Over de jaren tachtig gesproken: die petjes bestaan niet meer. Hèt overal nageaapte kenmerk van skaten waren die omgekeerde petjes (om te voorkomen dat je nek verbrandt in de Californische zon). In plaats daarvan droeg iedereen, maar dan ook iedereen een helmpje. Behalve mijn zoon, want die vindt skaten stoer, maar jezelf eerst helemaal inpakken niet. Gelijk heeft-ie.

Meer over