Commentaar

Uit Frankrijks vertrek uit Mali moeten lessen worden getrokken

De strijd tegen terreur moet doorgaan, maar niet alleen militair. Minstens zo belangrijk is het aanpakken van de grondoorzaken van radicalisering.

Carlijne Vos
Franse soldaten patrouilleren in de Malinese regio Diabaly. Op 17 februari heeft Frankrijk op een EU-Afrikatop in Brussel bekendgemaakt dat het zijn troepen uit Mali terugtrekt. Beeld EPA
Franse soldaten patrouilleren in de Malinese regio Diabaly. Op 17 februari heeft Frankrijk op een EU-Afrikatop in Brussel bekendgemaakt dat het zijn troepen uit Mali terugtrekt.Beeld EPA

De bloedige aanslag in het noorden van Mali vrijdag, waarbij zeker veertig burgers het slachtoffer werden van de strijd tussen de aan Al Qaida en Islamitische Staat gelieerde terreurgroepen, laat zien hoe penibel de situatie in het land is. Gevreesd wordt dat jihadisten daar van een militair vacuüm zullen profiteren nu Frankrijk zijn troepen terugtrekt.

Frankrijk en de VN hebben overigens met hun duizenden militairen en blauwhelmen dergelijke aanslagen negen jaar lang niet weten te voorkomen. Sterker: jihadisten hebben het grootste deel van het land weer in handen, en rukken via buurlanden Niger en Burkina Faso op richting West-Afrika. De islamitische terreur, die steeds grotere delen van West-Afrika ontwricht, moet een halt toe worden geroepen. De vraag is alleen: hoe.

De situatie in Mali laat zien dat een militaire oplossing, net als in Afghanistan, niet werkt. Het vertrek van Frankrijk hoeft daarom niet te worden betreurd. Temeer omdat de militaire aanwezigheid van de oud-kolonisator door Malinezen ook werd beschouwd als een interventiemacht die er voor eigen economische belangen zat, en in elk geval niet om de bevolking te beschermen. Op dit anti-Franse sentiment is het nog makkelijker om strijders te rekruteren voor de islamitische ‘jihad’.

Frankrijk en de westerse bondgenoten hebben West-Afrikaanse landen die in de strijd tegen terreur nog wel de steun van het Westen op prijs stellen, beloofd in juni met een plan van aanpak te komen. Gehoopt mag worden dat daarin niet opnieuw voor een louter militaire oplossing wordt gekozen. Even belangrijk is het om de grondoorzaken van radicalisering aan te pakken: armoede, gebrek aan toekomstperspectief, gebrek aan toegang tot publieke voorzieningen, slecht bestuur en corruptie.

Van Afrikaanse landen die deze westerse steun verlangen, mag dan een tegenprestatie worden verwacht. En dat is dat zij – zonodig met hulp – investeren in het verbeteren van de leefomstandigheden in afgelegen gebieden, vooral in de Sahel, waar jongeren zich bij gebrek aan alternatieven aansluiten bij terreurgroepen. Van Frankrijk, het Westen, mag worden verwacht dat zij niet weer de klassieke fout maken om politieke leiders te belonen met wie zaken kunnen worden gedaan. Dit leidt in de praktijk tot corruptie en zelfverrijking en tot weerstand van de bevolking tegen het centraal gezag, wat dan weer een voedingsbodem is voor jihadisme. Deze cirkel moet worden doorbroken.

In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.

Meer over