ColumnAleid Truijens

Tweede Kamer, let op: mbo’ers dreigen gevangen te blijven in het thuisonderwijs

null Beeld

Je kon erop wachten. Dat onderwijsbestuurders de corona-ellende zouden aangrijpen. Dat ze ‘een kans’ zouden zien en het ijzer gretig zouden smeden. Steevast ruiken bestuurders van grote mbo-instellingen elke mogelijkheid om eerdere mislukte vernieuwingen – vrijwel altijd meer digitaal en zelfstandig werken en minder fysieke lessen – via een achterdeur weer door te drukken.

Ja hoor, het Albeda College, een gigantische mbo-instelling in Rotterdam, is de eerste. Dat gaat in het nieuwe schooljaar door met thuisonderwijs en onlinelessen. De leerlingen hoeven niet dagelijks naar school te komen, alleen voor praktijkvakken. Ook vakken als Nederlands en rekenen zullen grotendeels online worden gegeven. Wat bestuurders erin aantrekt, is gemakkelijk te bedenken. Digitaal zijn grote groepen te bedienen; handig bij een lerarentekort. Ordeproblemen zijn voorbij. Het scheelt dure lesruimte. Je kunt het verkopen als innovatie. Winwinwin.

Ron Kooren, voorzitter van het college van bestuur van Albeda, ziet (Algemeen Dagblad, 21 juni) alleen maar voordelen van afstandsonderwijs: geen volle klassen meer, waar je ‘hutjemutje op elkaar’ zit. Hij ziet het onlinelesmodel als ‘enorme winst van corona’. ‘De onderwijsvernieuwing heeft een enorme zet gekregen’, juicht hij.

Goh. Laat ik nou denken, mét de Onderwijsraad, de SER, het Nederlands Jeugdinstituut, de Kinderombudsvrouw en zelfs onze onderwijsministers, dat leerlingen hebben geleden onder de epidemie en het gedwongen thuisonderwijs. Mbo’ers konden niet op stage. Docenten schatten dat ze zo’n kwart van de leerlingen niet in beeld hadden. Jongeren werden depressief of eenzaam. School is waar je je vrienden ziet, verliefd wordt, ruzie krijgt en lol maakt, waar je het leven oefent. Dat gaat niet online.

Corona heeft aantoonbaar geleid tot achterstanden, maar die pech is ongelijk verdeeld: leerlingen uit onfortuinlijke gezinnen, zonder eigen laptop of kamer, met ouders die thuis moesten werken of nooit thuis waren om te helpen, zijn slechter af. De kloof tussen kinderen van hoogopgeleide en laagopgeleide ouders– veelal mbo’ers – is gegroeid.

Kooren ziet het zonniger. ‘De digitalisering blijkt enorm effectief’, stelt hij tevreden vast. Hoe hij daarbij komt, is een raadsel; ik kan dat bewijs voor die heilzame effecten nergens vinden. Maar wat doet het ertoe? Het bestuur heeft besloten. Wat de docenten van het Albeda ervan vinden, weet ik niet. Maar of zij en hun studenten hoog of laag springen, dit wordt hun ‘nieuwe normaal’, zegt hun baas. Dat hij deze gemeenplaats van onze corona-bestrijdende ministers leent is veelzeggend. Argumentatie is niet nodig, inspraak van de uitvoerders ongewenst. Wen er maar aan.

De suggestie dat online-onderwijs goedkoper is, werpt Kooren verre van zich; de invoering kost voorlopig alleen maar geld. Maar hé, dat geld is er. Kooren zegt er de subsidie van het Nationaal Programma Onderwijs voor te gebruiken. Een schoolbestuur dat geld voor het repareren van schade mag inzetten voor het breed invoeren van datgene wat de schade heeft aangericht – gekker kan het niet worden.

Er kwam meteen kritiek (AD, 22 juni). Van Paul van Meenen, D66-Tweede Kamerlid, die opmerkte dat het niet de bedoeling is leerlingen nog verder op afstand te zetten; van onderzoeker Jeroen Janssen, die adviseert om Nederlands, voor mbo’ers een lastig maar belangrijk vak, vooral niet online te geven. Haastig gaf het Albeda een persverklaring uit: ze gingen heus niet álles online doen. Er kwam ‘een effectieve mix’.

Tweede Kamer, let op. Er zullen meer schoolbesturen volgen. Nog kort geleden eisten boze Kamerleden dat alle leerlingen weer naar school konden. Nu dreigt voor mbo’ers dat ze gevangen blijven in het thuisonderwijs. Laat dat niet gebeuren. Echte lessen zijn een recht.

Meer over