OPINIE

Tussen voetbal vereren of verwerpen ligt heus ruimte om het op waarde te schatten

De gevoelens over de voetbalsport lijken verdeeld in twee polariserende kanten: adoratie of afgrijzen. Maar wat schiet de voetballerij ermee op als het louter wordt verketterd om z’n geweld en corruptie, terwijl het ons zó veel moois biedt?

Bewoners van de Mooiste Oranjestraat van Nederland, in Den Haag, worden verrast met de Holland On Fire brandweerauto voorafgaand aan de EK voetbalwedstrijd Nederland-Oekraïne.  Beeld ANP
Bewoners van de Mooiste Oranjestraat van Nederland, in Den Haag, worden verrast met de Holland On Fire brandweerauto voorafgaand aan de EK voetbalwedstrijd Nederland-Oekraïne.Beeld ANP

Bord op schoot en gordijnen dicht, voor sommigen is dit de enige manier waarop ze zich nog kunnen verbinden met Koning Voetbal, als Oranje vanavond tegen Oostenrijk speelt. En het is niet vanwege de zon, die gesloten gordijnen. Men houdt de hunkering naar dit EK, de Champions League en straks zelfs Qatar liever stil. In eigen kring wordt het voetbal weggezet als nihilistisch volksvermaak of de voorliefde gecultiveerd als onvermijdelijk guilty pleasure. En als Christian Eriksen voor dood op het veld neervalt en zijn teamgenoten een beschermende haag om hem heen vormen, volgt een aarzeling of je dit mooi mag vinden.

Januskop

Vanwaar deze schizoïde houding ten opzichte van het voetbal? Hier toont zich de januskop van het voetbal, door sommigen geprezen als ‘maatschappelijk goud’, door anderen verafschuwd als ‘perverse praktijk’. Hier komt het spanningsveld tot uitdrukking die bijdraagt aan de situatie in het huidige voetbal. En het in stand houden van die januskop, leidt juist tot de escalaties die we ‘de voetballerij’ verwijten.

Om onze haat-liefdeverhouding met het voetbal te begrijpen, moeten we terug naar de oorsprong. Eind 19de eeuw ontstaan de eerste Nederlandse voetbalverenigingen, zoals de Koninklijke Haarlemsche Football Club en Hercules. Het slotakkoord van een proces van ‘sportificatie’ dat zeker anderhalve eeuw in beslag nam.

Ook in de Middeleeuwen werd al gevoetbald, maar chaotisch en dus ‘ongereglementeerd’, zoals dat nu heet. De geboorte van het moderne voetbal werd in Nederland verbonden met martiale waarden als strijdlust, wilskracht en discipline. Sportbestuurder van het eerste uur Pim Mulier, geboren in 1865, heeft in die beginjaren zijn stempel gedrukt op het voetbal. Sportbeoefening was niet vrijblijvend, maar moest jonge mannen voorbereiden op hun militaire plicht in een snel globaliserende wereld. Voetbal en nationalisme zijn sindsdien trouwe bondgenoten.

Evolutie

Vanaf de Eerste Wereldoorlog evolueert voetbal van een elitebezigheid naar een brede ‘volkssport’ en laat zowel spelers als toeschouwers boven zichzelf uitstijgen. De extase die voetbal brengt, is meer dan welkom in een tijdsgewricht waarin traditionele klassenverhoudingen en de ‘grote verhalen’, met name het geloof, niet langer gelden. Inmiddels lijkt voor sommigen voetbal het nieuwe Grote Verhaal in hun leven.

Hoe valt dit te rijmen met de kwalijke kanten van het mondiale voetbal? Want met de glorieuze opmars van het voetbal ontstonden in de loop van de vorige eeuw ook de eerste problemen. Spelfouten worden ‘overtredingen’, na waarschuwingen volgen sancties en naast spelregels verschijnt al snel het tuchtrecht. Instituties, statuten en reglementen bezegelen dit proces van professionalisering. De ‘verernstiging’ van het spelelement in voetbal, zoals historicus Johan Huizinga het noemt in Homo Ludens (1938), markeert het verdwijnen van de oeroude sacrale wortels van sport in de moderne variant.

Griekse feesten

In de Griekse Oudheid was het nog mogelijk in een rituele context onze animale, ‘dionysische’ krachten te vieren, zoals tijdens religieuze festiviteiten met theater, maar ook atletiek, worstelen en andere ‘sporten’. De openlijke grensoverschrijding tijdens die festivals, bezegeld in bloedige offers ten gunste van de goden, markeerde de verboden in het dagelijks leven.

Maar in de moderne tijd ontbreekt die sacrale inbedding van sport, en konden de problemen in het voetbal in hoog tempo escaleren. Denk aan voetbalgeweld in en rond stadions, de frauduleuze bestuurspraktijken en andere misstanden. De grens tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ werd snel duidelijk: supporters werden hooligans, bestuurders ‘bobo’s’ , begrotingen verdienmodellen.

Dit subtiele normatieve proces veranderde het voetbal langzamerhand, en daar speelt het grote publiek ook een rol in. Want wat in kritische kringen de ‘verwording’ van het voetbal heet, is geen opzet van een kwade genius ergens in Zwitserland. Het instituut Fifa, haar iconische bestuurders en gecorrumpeerde cultuur vormen samen de logische exponent van zowel de heiligverklaring als de verkettering van het voetbal in de laatste decennia.

Balsem of circus

Tussen voetbal als balsem voor de ziel en het commerciële circus van nu gaapt een ideologische kloof. Voor of tegen voetbal, meer smaken zijn er niet. En wat gebeurt er dan? Michael van Praag zegt het zo: ‘Het voetbal werkt als een omgekeerde wasstraat: je gaat er schoon in, maar komt er vuil uit.’ Anders gezegd: voetbal lijkt een amorele praktijk, waarin het geweten ondergeschikt is geraakt aan de continuïteit van het systeem. Waar is nog ruimte voor nuance en ontwikkeling, voor ethiek en moraliteit?

En zo polariseert ook het voetbaldebat. Wie voetbal demoniseert, is heilig overtuigd van ‘de waarheid’ over het kwalijke karakter ervan, en welkom bij de fervente tegenstanders van voetbal. Maar met de bewering dat voetbal geen ‘echte’ sport meer is, salonfähig in intellectuele kring, wordt voetbal buiten de superieure eigen moraal geplaatst. Die veroordeling voedt de wrok bij de liefhebbers, de miskenning die deze groep verbindt en van voetbal een commerciële spektakelmachine kon maken; met alle gevolgen van dien.

Keer het tij

Hoe dit tij te keren? Met Nietzsche zeg ik: ‘Wat uit liefde wordt gedaan, geschiedt altijd aan gene zijde van goed en kwaad.’ In onze zucht naar het schone, het goede en het ware – voetbal vereren versus veroordelen – exact daar ontvouwt zich onze kwetsbaarheid. We willen zó graag ergens bij horen, bij Oranjelegioen of grachtengordel. En precies die emotionele afhankelijkheid blokkeert de ethische ruimte die nodig is om voetbal op waarde te schatten. Waar is ‘de rust in het oog van de storm’, zoals ­Hannah Arendt schrijft?

Als we ons verlangen erkennen, opent zich die ruimte. Begrijpen we waarom sommigen vallen voor de magie van het voetbal of anderen elkaar opzwepen in de veroordeling ervan, dan kunnen we ook kritisch kijken naar de eigen positie in het debat. Waar staan wij, en waarom? Duwen we het voetbal over de rand of keren we het vermeende ‘kwaad’ door de voetballerij weer in te sluiten?

Want die biedt ook hoop in bange dagen. De ingreep van de achterban bij de lancering van de Super League, het leiderschap van Simon Kjær bij de hartstilstand van Eriksen, het zijn zomaar een paar actuele voorbeelden van het helend vermogen in het hart van het voetbal. De evolutie van het moderne voetbal begint vanuit dit ethisch hart.

Sandra Meeuwsen is als sportfilosoof verbonden aan de Vrije Universiteit Brussel.

Meer over