Turkije heeft Europa nodig

Europa hoeft niet bang te zijn dat Turkije zich van haar afwendt. Ankara heeft de EU veel te hard nodig.

Boyd van Dijk

Ghassan Dahhan beweert dat sinds Europese burgers minder voelen voor Turkse toetreding tot de EU, Turkije zich richt op het Midden-Oosten. Dat zou op termijn schade doen aan de belangen van Europa. Dat is een eenzijdig beeld, en getuigt van weinig inzicht in de wortels van de buitenlandse politiek van Turkije.

'Zo niet westwaarts, dan oostwaarts', is volgens Dahhan heden de crux van het Turks buitenlandse beleid. Door Turkije te 'negeren' – maar tegelijkertijd te verguizen, wendt Turkije zich langzaam maar zeker af van het Westen.

Mondiaal
Niets is minder waar, juíst door zich te richten op het Midden-Oosten, maar ook op de Balkan en Centraal-Azië, wil het zijn politieke gewicht op mondiaal niveau vergroten. En zich daarmee aantrekkelijker maken voor Europa en de VS. Of om in de woorden van oud-premier Turgut Őzal: 'Hoe groter ons gewicht in het Oosten, des te groter zal het zijn in het Westen'.

De banden met het Westen zijn niet van vandaag of gisteren. Toen Stalin na de Tweede Wereldoorlog dreigde in zijn imperialistische streven de Dardanellen in te pikken, besloot de Turkse regering zich meer op het Westen te richten, met als belangrijkste resultaat het NAVO-lidmaatschap.

Al sinds het begin van de moderne staat Turkije kenmerkt de buitenlandse politiek zich door een sterk Westerse oriëntatie en gematigd isolationisme. Pas met de val van de Muur en het einde van de Sovjet-Unie begon Turkije onder aanvoering van toenmalig premier Turgut Őzal, zich actiever te mengen in mondiale en vooral ook regionale politieke vraagstukken. Het einde van de Koude Oorlog en groeiende onzekerheid over en instabiliteit aan de grenzen, zette Turkije aan tot toenadering tot de internationale gemeenschap.

Grensconflicten
Voorbeelden zijn de actieve bijdrage van Turkije aan de vredesmissie(s) in voormalig-Joegoslavië en de militaire inval Desert Storm, de vele grensconflicten over de PKK met Syrië, Irak en Iran, en de toenadering tot Israël.

Met het falen van de 'internationale gemeenschap' in Bosnië en de illegitieme invasie van Irak in 2003, brokkelde met rasse schreden het vertrouwen af in de Verenigde Naties, de VS en EU. Reeds gedurende de regeringsperiode van Őzal werd met regelmaat gesproken over een eeuwenoude droom: het 'neo-Ottomanisme'.

Dat idee, later uitgewerkt door AKP-leiders als Tayyip Erdogan en Ahmet Davutoglu – nu respectievelijk premier en minister van Buitenlandse Zaken, gaat ervan uit dat Turkije - eens leading nation van het voormalige Ottomaanse rijk - aanvoerder moet zijn van de Turkse en islamitische volkeren in Eurazië.

Met als gevolg dat het land zich intensiever is gaan bemoeien met de Balkan, het Midden-Oosten en Centraal-Azië. In dat licht is de grimmige reactie ('genocide') van premier Erdogan, te bezien toen China onverbiddelijk ingreep na onlusten gepleegd door het verdrukte Turkse volk van de Oeigoeren.

Ideologisch
Dat Turkije niet langer alleen naar Europa kijkt heeft dus óók te maken met deze ideologische herpositionering van zijn buitenlands beleid, die losstaat van Europese scepsis ten aanzien van de Turkse toetreding tot de EU.

Turkije richt zich namelijk niet alleen 'Oostwaarts', zoals Dahhan terecht opmerkt, maar haalt eveneens duidelijk de banden aan met het 'Westen': de VS. De wederzijds prijzende speeches van zowel Bush als Obama in successievelijk Istanbul en Ankara, zijn voorbeelden van de verbeterde relaties tussen beide landen.

Het Europese 'turkoscepticisme' is een belangrijke, maar zeker niet de enige verklaring voor het veranderende buitenlands beleid van onze Europese oosterburen.

Omgetoverd

Een ander aspect dat Dahhan over het hoofd ziet, is wat de Europese Unie nu precies wil zijn. Begonnen als een economische gemeenschap, is de EU in de loop der jaren omgetoverd tot een politieke unie met zowel zijn eigen economische als politieke ambities. Dat debatten over identiteit en religie niet altijd hebben geleid tot tolerantie en toenadering tot elkaar, staat buiten kijf, maar 'blokkeren' niet zozeer het geluk en welvaart van Europese burgers.

Vooruitgang en voorspoed, waar hij naar verwijst, worden immers niet alleen gevormd door 'materiële belangen', maar evenzeer door een deugdelijke rechtspraak en de bescherming van de persoonlijke vrijheden van burgers. Het laatste rapport van de Europese Commissie was echter duidelijk in haar kritiek op Turkije. Het gebrek aan vrijheden voor vakbonden, journalisten en (religieuze) minderheden, en het bemoeizuchtige leger, stemde de Commissie tot ontevredenheid. Dat laatste is maar goed ook, anders zou de EU voorlopig niet meer zijn dan een economisch praatclubje.

De vermeend kwalijke gevolgen die Dahhan schetst wanneer Europa Turkije blijft negeren, zijn grotendeels indianenverhalen. Dat Turkije de banden met Iran 'sterk' aanhaalt, is weinig realistisch, eerder een politiek tactische manoeuvre.

Nucleair
De vrees in Ankara voor het mogelijke nucleaire programma en de decennialange argwaan ten opzichte van de theocratische mullahs, maken dit angstbeeld dan ook weinig waarschijnlijk. Evenmin als de plotselinge sympathie van Hamas en Hezbollah voor zijn 'seculiere-geloofsgenoten'. Die kortstondige bijval heeft eerder te maken met de breuk, na het Gaza-debacle, met Egypte. Hamas en Hezbollah voelen zich in de steek gelaten.

Het laatste taboe dat nu nog doorbroken moet worden is dat Turkije de 'ophaalbrug vormt in Fort Europa met het Midden-Oosten'. Turkije is een seculier en Europees land, dat om die redenen weinig op warme sympathie kan rekenen van de ayatollahs uit Teheran, noch van de voormalig door de Ottomanen gekolonialiseerde volkeren, de Arabische wereld.

Een brug vormen is dan moeilijk. Maar Europa moet niet achterover leunen. Waar de VS het verloren gegane vertrouwen van de politieke leiding heeft weten terug te winnen, is er inderdaad voor de Europese regeringsleiders nog veel werk aan de winkel. Maar vooral voor de Turken zelf.

Meer over