columneva hoeke

Trut, dacht ik, en heel even wist ik niet of ik een hysterische moeder was, of gewoon een moeder

Eva Hoeke Beeld Aisha Zeijpveld
Eva HoekeBeeld Aisha Zeijpveld
Eva Hoeke

De oudste dochter had het wel tien keer gezegd. Ze wilde niet meer, ze vond het niet leuk, en ik had het zelf gezien, het gesjok over de mat, de onwil om netjes in een rij te staan, het gedoe vooraf en vooral de opleving daarna, wanneer ze gewoon weer lekker zelf kon bepalen of ze een koprol deed. En zo kwam het dat ik op een woensdagmiddag niet met haar, maar met haar zuster (5) naar turnen fietste. ‘We proberen het gewoon’, hadden we die ochtend besloten, ze was meteen naar boven gehold voor het turnpakje. Even later had ze zichzelf in de spiegel staan bewonderen in een kostuum van strass en roze pailletten, zonder te zien dat het ding twee maten te groot was.

En nu zat ik hier, op een lage houten bank aan de kant van de gymzaal, en zag ik hoe ze zich schoorvoetend bij de rij vaste meisjes voegde. ‘Toe maar,’ had ik haar zachtjes voor me uit geduwd, ‘ga er maar gewoon bij zitten.’ Naast haar werd gegiecheld, aan de andere kant van de rij bogen er een paar voorover om de nieuwkomer te bekijken. Heel even keek ze naar mij – snel stak ik een duim op.

Daar zat ze dan, de schouders hoog, haar benen opgetrokken, met haar vingers doelloos over de binnenkant van haar pols wrijvend. Dit kind, zo talig als wat, maar fysiek niet de behendigste, de blauwe plekken op haar benen de stille getuigen van alle rondjes op de step, de boomstronk die we na Eunice hadden laten liggen om op te klimmen, na het eten nog even Caligulaatje spelen met haar vader, het schateren tot tien tuinen verderop te horen. Hoe ging ze dit vinden, de ringen, de mat, de evenwichtsbalk? Ik zag dat ze haar sokken nog aanhad en probeerde haar aandacht te trekken zonder op te vallen. ‘Je sokken’, mimede ik in haar richting. ‘Trek ze maar uit.’ Iedereen keek, behalve zij.

‘Oké, meiden.’

Daar was de juf, ze begonnen met een spelletje. Bij het woord apekooi begon iedereen te joelen, ik zag de verwarring op haar gezicht. Even later zat ze als eerste op de bank, af. Het tweede meisje dat af was, ging een meter van haar vandaan zitten. Trut, dacht ik, en heel even wist ik niet of ik een hysterische moeder was, of gewoon een moeder.

Het volgende spel was verstoppertje. Mooi, dit kon ze. Even later kwam ze inderdaad voorbijgestoven, haar beste benen vooruit, de andere meisjes achterna, en terwijl ze zich verschool achter een houten kast zag ik dat ze haar sokken nog steeds in haar knuist had geklemd. Zag ik daar nou iemand om lachen? Ik voelde hoe iets van vroeger omhoog kroop.

5 jaar, dus ik wist dat het nu ging gebeuren, de behoefte om erbij te horen, geaccepteerd te worden, en, daaraan parallel, onontkoombaar, de oordelen. Ik wist inmiddels ook dat omgeving net zo bepalend was als de opvoeding thuis, maar nu ik aan die laatste kant stond voelde ik ineens hoe nederig dat stemde. Wat kon je meer doen dan het gewenste gedrag voorleven, waarschuwen voor sokken en gladde vloeren en daarna toekijken, meebewegen, god zegene de greep? Ook hier, in een dorpsgymzaal, begon het grote loslaten, maar ik moest me inhouden de andere meisjes niet pontificaal bij hun kladden te grijpen en naast mijn dochter te planten, zo, en nu aardig doen.

En zo ging het door, een lang uur lang, en zelfs toen we allang weer thuis waren voelde ik de kramp van mijn aanmoedigen in mijn kaken staan.

Allemaal voor niets.

‘Hoe vond je het?’, had ik voorzichtig gevraagd toen we naar huis waren gefietst, zij achterop, stilletjes. ‘Geweldig’, had ze met een zucht gezegd.

Meer over