ColumnEva Hoeke

Toen we eenmaal beneden waren was het lot van de babyekster al bezegeld

Beeld Aisha Zeijpveld

Consternatie in de tuin, een schel, kwetterend vogelgeluid dreef samen met de geur van ochtenden in een dorp (Spring Morning Dew, No. 04) door het open slaapkamerraam naar binnen. ‘Wat is dat voor herrie?’ vroeg de Dochter (4) terwijl ze een wijsneuserig vingertje in de lucht stak. ‘Klinkt als een ekster’, zei ik. ‘Kleed je maar snel aan, gaan we kijken.’

Snel aankleden bestaat niet met kinderen.

Toen we eenmaal beneden waren was het lot van de uit het nest gevallen babyekster al bezegeld. ‘Hij heeft een vogel!’, schreeuwde de Dochter door het raam van de keukendeur. ‘Joseph heeft een vogel!’

Het was zo. Op het grasveld in de tuin lag onze zwarte kater Joseph, een beest in de bloei van zijn leven, tevreden over zijn buit gebogen. Het vogeltje leefde nog en keek angstig om zich heen, zijn kaalgeplukte buikje ging razendsnel heen en weer terwijl zijn ouders om beurten naar beneden vlogen om Joseph in zijn pels te pikken, vastberaden doch kansloos. Beide Dochters sloegen nu joelend tegen het glas van de keukendeur, vol afkeer en opwinding tegelijk, en heel even stond ik zoals ik altijd sta in zulke situaties, alsof het een film betrof, maar toen werd ik wakker en stormde ik naar buiten, vastbesloten om het arme beest te ontzetten. Terwijl ik een verbijsterde Joseph van zijn slachtoffer aftrok en hem terug naar binnen duwde lag de ekster op het gras uit te hijgen, zijn bekje wijd open, met bobbeltjes op zijn huid waar zijn veren hadden gezeten. Zijn gitzwarte kraalogen keken me aan, of misschien zochten ze wel naar zijn ouders, die in de boom boven mijn hoofd kwetterden alsof de oorlog was uitgebroken.

Verschrikkelijke scène.

Maar já. Hoe nu verder? Het was niet zo dat pa en moe hem terug het nest in konden trekken om ’m daar verder te laten aansterken. Ik had bovendien gelezen dat aangevallen dieren zelden te redden zijn, omdat ze intern vaak al te zeer beschadigd zijn, en als ze niet beschadigd zijn bezwijken ze wel onder de stress.

‘Laat de natuur nou maar zijn werk doen’, zei de Man vanuit de keuken, en tegen al mijn stadse neigingen in besloot ik dat dat inderdaad het beste was. Zodra de deur openging vloog Joseph weer als een briesende stier op zijn trofee af, en rats, daar vloog het arme beest alweer in de lucht.

‘Zullen we ze dan nu maar weer gewoon eten gaan geven?’, zei de Man. Een week eerder had ik van de dierenarts te horen gekregen dat onze poezen ieder een halve kilo te zwaar waren, sindsdien leefden ze op rantsoen. ‘Ze eten ze niet eens op’, zei ik verbolgen. ‘Ze spelen er alleen mee.’

En zo láng ook. Want toen we even later terugkwamen van school was Joseph nog steeds bezig het beest te martelen, het was werkelijk niet om áán te zien. Met karatesprongen dook hij er bovenop, wanneer hij op de grond lag maakte hij die merkwaardige kattenmove waarbij ze hun prooi met de voorpoten vasthouden terwijl ze die met hun scherpe achterklauwen venijnig wegduwen, en soms deed hij net alsof hij niet langer geïnteresseerd was, de snoodaard. Op die momenten constateerde vol ik afgrijzen dat het dier nog ademde. ‘Dáárom had hij geen belangstelling voor de muizen op zolder’, zei de Man terwijl we toekeken. ‘Dat was geen angst, dat was minachting.’

Dik anderhalf uur later was het macabere tuinfeest dan eindelijk afgelopen. De verstarde babyekster kreeg een staatsbegrafenis in de biobak, zijn ouders bliezen de kraaienmars en Joseph, die duidelijk van mij walgde, liep langs me heen en ging zich in een hoekje van de kamer uitgebreid zitten wassen. In ónschuld.

Meer over