ColumnSylvia Witteman

The Secret Garden is nog net zo heerlijk als toen ik 10 was

null Beeld

Misschien komt het door de lockdown; opeens schoot me The Secret Garden te binnen, van Frances Hodgson Burnett. Als kind las ik het met diepe verrukking; een merkwaardig, laat-victoriaans (1911) boek, de coming of age van het vervelende, lelijke, verwende weesmeisje Mary en haar ziekelijke, hysterische neefje Colin.

Mary, opgegroeid in (koloniaal) India en voornamelijk opgevoed door personeel, is 10 als haar ouders sterven aan de cholera. Ze wordt naar Engeland gestuurd en komt te wonen bij haar verbitterde oom, de weduwnaar Archibald, op een groot kasteel in Yorkshire. De oom is bijna altijd op reis; opnieuw wordt Mary aan het personeel overgelaten. Gelukkig is daar kamermeisje Martha, een opgewekt volkskind dat erin slaagt de chagrijnige Mary wat te ontdooien.

Frisse lucht, is het devies. Mary dwaalt over de hei rond het kasteel en maakt kennis met de gebruikelijke noble savages: oude, wijze tuinman Ben en Dickon, het 12-jarige broertje van Martha. Dickon, ook al zo’n onbedorven natuurkind, opgegroeid in een groot, arm, maar liefdevol gezin, heeft een plat Yorkshire-accent maar een hart van goud. Bovendien kan hij met dieren praten. Hij heeft eekhoorntjes in zijn broekzakken (‘nut’ en ‘shell’), er vliegt een roodborstje achter hem aan en een verweesd lammetje heeft hij ook. Het roodborstje wijst de kinderen zelfs de weg naar een geheime, verwaarloosde maar prachtige omheinde tuin. Ik vond dit allemaal volstrekt geloofwaardig, terwijl ik toen zelf toch ook al 10 was.

Het sinistere gehuil dat Mary ’s nachts weleens hoort op het kasteel blijkt afkomstig van de kreupele, zieke Colin. Ook hij is 10 en zo mogelijk nog verwender dan Mary. Zijn moeder is gestorven in het kraambed (die tuin was van haar!) en Colin brengt zijn dagen door afgezonderd van de wereld, in bed. Hem is verteld dat hij jong zal sterven en zijn voornaamste hobby is dan ook uitzinnig huilen en schreeuwen tegen het personeel. De kinderen blijken aan elkaar gewaagd en sluiten vriendschap, met elkaar, met frisse Dickon en met wijze tuinman Ben.

Er ontrolt zich een pastorale idylle. Dickon rijdt Colin in zijn rolstoel door de geheime tuin, de kinderen wieden en snoeien met hulp van Ben, de tuin komt weer tot leven, Colin knapt op, door de frisse lucht gaat hij beter eten en leert hij langzaam maar zeker weer lopen. En daar ziet verbitterde oom Archibald, terug van een zoveelste lange reis, hoe zijn doodziek gewaande zoon gezond en blozend rondrent in de eindelijk weer bloeiende tuin van zijn jonggestorven vrouw.

Heerlijk allemaal, nog net zo heerlijk als toen ik klein was. Toen vond ik het trouwens heel normaal en logisch dat een kind dat tien jaar geestelijk verwaarloosd en kreupel in bed heeft gelegen zomaar beter wordt door frisse lucht, havermout en positief denken. Positief denken was ten tijde van The Secret Garden in opkomst; vooral de ‘Methode Coué’, van de indertijd beroemde Émile Coué, die met het propageren van autosuggestie de weg tot op de huidige dag heeft geplaveid voor een lange stoet van al dan niet discutabele zelfhulpmethodes. Frits van Egters zou later nog de spot drijven met Coué in Reves De avonden: ‘Werkwijze Koewee. Ik voel me goed. Ik voel me beter. O wat voel ik me al beter. Ik ben alweer beter dan daarnet.’

In werkelijkheid slagen de meeste mensen die noodgedwongen in een rolstoel zitten er niet in weer te leren lopen, al houden ze er vrachtladingen positieve gedachten op na. In werkelijkheid knappen sombere, bittere mensen meestal niet op van frisse lucht en havermout. En in werkelijkheid kan ook niemand praten met dieren.

Toch jammer.

Meer over