Opinie

Te vaak zetten een-tweetjes tussen politici en experts de samenleving buitenspel

Het doel van wetenschappelijke bureaus moet zijn om de maatschappij te dienen en niet de politiek. Daarom moeten we niet de consensus, maar juist het tegengeluid organiseren.

Minister Bruno Bruins voor Medische Zorg (VVD), Premier Mark Rutte en RIVM-directeur Jaap van Dissel tijdens een persconferentie over corona.  Beeld Freek van den Bergh / de Volkskrant
Minister Bruno Bruins voor Medische Zorg (VVD), Premier Mark Rutte en RIVM-directeur Jaap van Dissel tijdens een persconferentie over corona.Beeld Freek van den Bergh / de Volkskrant

Op 25 mei mochten alle directeuren van de Nederlandse planbureaus aanschuiven bij formateur Mariëtte Hamer. Pieter Hasekamp, directeur van het Centraal Planbureau (CPB), liet weten dat het kabinet geen nieuwe structurele uitgaven moest doen. Het tekent de grote invloed die de wetenschappelijke experts hebben in de Nederlandse politiek.

Nu de coronacrisis op z’n eind lijkt te lopen, moeten we het eindelijk over de positie van wetenschappelijke experts hebben. Al ruim 75 jaar, sinds de oprichting van het CPB, slagen de Nederlandse kennisinstituten, zoals ook het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) en het RIVM, er bij uitstek goed in wetenschap en politiek bij elkaar te brengen. Maar als de huidige crisis iets laat zien, is het wel dat de samenleving zich door dit een-tweetje tussen beleidsmakers en experts te vaak buitenspel voelt staan.

Jan Tinbergen

De unieke positie van het CPB, het SCP en het RIVM als hofleveranciers van wetenschappelijke kennis aan de politiek is niet toevallig tot stand gekomen. In 1945 werd het CPB als eerste van deze kennisinstituten opgericht. Vanaf het begin stonden de economische modellen centraal die waren ontwikkeld door Jan Tinbergen, de eerste directeur en latere winnaar van de Nobelprijs voor de economie. Het was toen een zeer vooruitstrevend idee dat (economische) wetenschap zo direct kon worden ingezet voor de sturing van de economie.

De economische crisis van de jaren dertig toonde volgens Tinbergen aan dat zowel parlement als regering geen idee had wat te doen in crisistijd en daarom zouden ze de experts in de toekomst hard nodig hebben. Maar al vanaf het allereerste begin was er kritiek op zijn aanpak. Bij de presentatie van zijn eerste model werd het door zijn vriend, econoom Jan Goudriaan, treffend vergeleken met een nachttrein, die wel op de gewenste plek aankwam, maar waarvan niemand kon uitleggen hoe die daar gekomen was. Het geeft goed de spanning weer die ook in deze coronatijd speelt: effectief of niet, het hoe en waarom van de maatregelen is voor velen onduidelijk. De samenleving wordt gevraagd blind te varen op de experts.

Schijnveiligheid

Het is niet verrassend dat kennisinstituten regelmatig in opspraak komen. Het RIVM erkende op 20 mei eindelijk, na lang tegenstribbelen, dat aerosolen een belangrijke rol spelen in de verspreiding van het coronavirus. Veelzeggend was ook de mondkapjesdiscussie waarin het RIVM zich niet beperkte tot het bepalen van de effectiviteit van de mondkapjes, maar RIVM-directeur Van Dissel zich vooral zorgen maakte over de schijnveiligheid die uit zou gaan van mondmaskers. In een artikel van 11 maart keek Coen Teulings in de Groene Amsterdammer terug op zijn tijd als directeur van het CPB. Hij gaf daarin aan dat Den Haag vooral zit te wachten op een directeur waar de politiek op kon vertrouwen; de CPB-modellen maakten politieke discussies over bijvoorbeeld de zin en onzin van bezuinigingen onmogelijk.

Ook nu nog staat Tinbergen op een voetstuk bij het CPB en zien velen hem als een lichtend voorbeeld. Tinbergen liet zien hoe wetenschap van praktische waarde kan zijn voor de maatschappij. Maar hij zag onvoldoende dat wetenschap altijd een zoektocht blijft, waarin conflicten van inzichten en tegengestelde methoden nodig zijn om te leren, juist in onzekere tijden en crises. Dit vereist het organiseren van een tegengeluid in plaats van het centraliseren van de expertise in een officieel kennisinstituut.

Groeiende ongelijkheid

De afgelopen jaren was er ook veel te doen over de inschattingen van het Planbureau voor de Leefomgeving over de CO2-reductie, en over stikstofberekeningen van het RIVM. In dergelijke kwesties gaat het bijna altijd over de nagenoeg officiële status van de berekeningen die een goed debat in de weg staan. Op 15 april vroegen Sander Heijne en Hendrik Noten, auteurs van het boek Fantoomgroei, zich in deze krant af of de cijfers die het CBS publiceerde over de (gemiddelde) inkomensontwikkeling in de afgelopen decennia wel goed zicht boden op de groeiende ongelijkheid.

Aan het begin van de coronacrisis hoorden we nog regelmatig van het Red Team dat de experts in het RIVM en het OMT van een tegengeluid wilde voorzien. Maar hun geluid verstomde. Officieel omdat alles al was gezegd. Dat is opmerkelijk, want het vaccineren moest toen nog beginnen.

Licht in de nachttrein

Het centraal organiseren van de expertise en die zo dicht tegen de overheid aan laten leunen, brengt een ander gevaar met zich mee. Een gevaar dat vooral op lange termijn zichtbaar wordt. Het werkt in de hand dat experts zich gaan vereenzelvigen met de overheid en de sturing van boven. Zo gaan ze denken wat er in termen van beleid moet gebeuren, in plaats van wat de samenleving zou moeten weten. Bewust of onbewust lijken burgers dat steeds meer in te zien en het wantrouwen tegen die experts groeit. Erger nog, het wantrouwen groeit tegen wetenschappelijke expertise in het algemeen.

Het is hoog tijd voor wat licht in de nachttrein, waarbij experts zich niet enkel richten op de regering maar juist op de samenleving. Een lichtpuntje was dat toenmalig CPB-directeur Teulings al in het tweede jaar van de kredietcrisis een toegankelijk boek publiceerde waarin hij inzicht gaf in de lastige afwegingen en de onzekerheid die elke crisis met zich meebrengt. Vanuit het RIVM herinneren we ons vooral de vermaningen dat we ons niet voldoende aan de regels houden.

Zie hier de lange schaduw die de modellen van Tinbergen werpen, modellen gebouwd door experts en gericht op politici die de samenleving van bovenaf besturen. Als we willen zorgen dat de wetenschap ook in de toekomst van belang blijft voor de samenleving, moeten we het beter organiseren. Niet de consensus, maar juist het tegengeluid moeten we organiseren en het doel moet zijn om de maatschappij, niet de politiek te dienen.

Erwin Dekker is assistent professor culturele economie aan de Erasmus Universiteit en schreef de biografie van Jan Tinbergen, Een econoom op zoek naar de vrede.

Meer over