ColumnEva Posthuma de Boer

Te lang in het nest met de werkloze rest

null Beeld

Vanaf vandaag moet het anders. Geen rommelige ochtenden meer, van tot na tienen in het nest met de werkloze rest, eieren bakken en kranten uitspreiden alsof het elke dag zondag is. Voor twaalven komt er geen letter uit mijn pen. Na twaalven trouwens ook niet, lamgeslagen hang ik maar aan mijn bureau. Aldus! Het krieken van de dag is daar, orde op zaken, inspiratie, naar buiten! Vroeg Amsterdam zal mijn aandacht van het virus afleiden! Ik wandel mijn straat uit. De lucht is helder en fris, de stad stiller dan in de nacht van Shaffy. Als ik alleen maar ruik en luister kan ik me in Frankrijk wanen, op het pad voor ons huis daar, waar het ook zonder coronale verschoning zo schoon en stil is, en waar ik nu niet naartoe mag, wat geen probleem te noemen is, hooguit jammer, zoals wel meer jammer is maar geen probleem.

Ik loop richting het dijkje van de Weespertrekvaart, goed zo, prijs ik mezelf, ik ben op en wandel. Nu volhouden, ook op de echte zondagen. Ik sla een weggetje in tussen verlaten voetbalvelden, mijn oog valt op een dubbelgevouwen, kreukloos tientje. Ik raap het op. Dit is een teken. Hier kan ik over nadenken, dit gaat niet over corona, dit gaat over het vinden van een tientje. Wat zal ik ervan kopen? Hoe is het tussen de grassprieten terechtgekomen? Van wie was het? Van een keurig iemand, zo keurig als het tientje zelf, een man of vrouw op praktische schoenen in een ANWB-tussenjas, die ging wandelen en onderweg bij een uitspanning een kopje koffie wilde drinken. Briefje los in de jaszak, geen ballast van een tas of portemonnee. Maar er is geen uitspanning open nu. Waar diende het tientje dan toe? Misschien zit er wel corona op. Wat moet ik ermee? Je kunt nergens meer contant betalen. Het zo uit de hand aan iemand geven kan niet, dan geef ik corona door. Storten en overmaken naar een goed doel dan? Of zijn de banken ook dicht?

Thuis was ik mijn handen grondig. Het is kwart over negen. De bel gaat. Een bezorger met een gigantische doos. Ik heb niets besteld, maar pak de doos gretig aan. Dit is mijn afleiding, ingepakt en met een strik erom. Even overweeg ik het tientje uit mijn zak te vissen en aan de bezorger te geven, net op tijd besef ik dat een doodsvonnis geen fijne fooi is. Ik zet de doos op de grond in de keuken. Ik vouw de kleppen open. Een glimmende ballon stijgt op en kleeft zich vast aan het plafond. Birthday bitch, staat erop. Ik lees het kaartje aan het lint. Voor Samantha. Ik ken geen Samantha. Maar ik ga naar haar op zoek. Dat ga ik doen. Ik ga op zoek naar de jarige Samantha, en breng haar de ballon.

Ankara, 1988 Beeld Eddy Posthuma de Boer
Ankara, 1988Beeld Eddy Posthuma de Boer
Meer over