Stervenshulp bij ouderen

Op het eerste gezicht klinkt deze proeve mij als muziek in de oren

Op 16 februari heeft een burgerinitiatief, onder leiding van Yvonne van Baarle, Eugène Sutorius en Jit Peters, een proeve van het wetsvoorstel “toetsing van stervenshulp aan ouderen” gepresenteerd aan de Tweede Kamer. De initiatiefnemers zijn van mening dat het huidige wettelijke systeem geen ruimte biedt om ouderen die “lijden aan het leven” de helpende hand te bieden. Deze proeve heeft veel stof doen opwaaien.

Proeve
Wat houdt dit wetsvoorstel (in het kort) in? De proeve beoogt stervenshulp mogelijk te maken voor mensen van 70 jaar of ouder, die hun leven voltooid achten en uitdrukkelijk om die hulp hebben verzocht. Volgens het voorgestelde nieuwe lid van artikel 294 Wetboek van Strafrecht is deze hulp niet strafbaar indien er aan bepaalde vereisten is voldaan. Het moet gaan om een persoon van 70 jaar of ouder en er moet sprake zijn van een vrijwillig, weloverwogen en duurzaam verzoek om stervenshulp.

Gesprekken
Verder dient de zogenaamde stervenshulpverlener minstens twee uitvoerige en indringende gesprekken te voeren met de oudere, binnen een tijdsbestek van minimaal twee maanden. Nadat de oudere een schriftelijke verklaring heeft gegeven, raadpleegt de stervenshulpverlener een andere onafhankelijke stervenshulpverlener, die vervolgens tenminste één gesprek voert met de hulp vragende oudere. Indien aan alle vereisten is voldaan, wordt een arts verzocht een recept uit te schrijven. De hulpverlener haalt de middelen op, overhandigt deze middelen aan de oudere, en ziet erop toe dat de oudere het middel zelf inneemt. Een verslag van de gevolgde procedure wordt vervolgens voorgelegd aan een regionale toetsingscommissie.

Op het eerste gezicht klinkt deze proeve mij als muziek in de oren. Ik heb namelijk grote sympathie voor het feit dat de initiatiefnemers een oplossing trachten te bieden aan ouderen, die tot de conclusie zijn gekomen dat de waarde en de zin van hun leven zodanig zijn afgenomen, dat zij de dood gaan verkiezen boven het leven. Er is echter een aantal kanttekeningen te plaatsen bij het genoemde burgerinitiatief.

De proeve richt zich, in tegenstelling tot de Euthanasiewet , specifiek op de zelfbeschikking van ouderen. Waar in de Euthanasiewet centraal staat dat de arts volgens wetenschappelijk medisch inzicht (en overeenkomstig de in de medische ethiek geldende normen), de in het geding zijnde plichten zorgvuldig tegen elkaar afweegt, gaat de proeve ervan uit dat de stervenshulpverlener geen (waarde)oordeel velt over het verzoek van de oudere. Ik vraag me af of deze verruiming van de thans in de wet vastgelegde vereisten wenselijk is. Door de nadruk op zelfbeschikking te leggen, bestaat het gevaar dat familie en naasten niet meer betrokken worden bij dit proces.

Moeite
Daarnaast heb ik moeite met het begrip stervenshulpverlener. De Memorie van Toelichting spreekt over mensen die ervaring hebben met existentiële en terminale problematiek zoals artsen, verzorgers, filosofen, psychologen, verpleegkundigen en andere. Ik voel hier enige weerstand omdat deze mensen zich vrijwillig hebben opgegeven. Daarmee staan zij automatisch positief tegenover stervenshulp aan ouderen. Mogelijk ontbreekt het hen aan de benodigde objectiviteit. Dat niet-medici deze rol kunnen vervullen baart mij extra veel zorgen. Zo lijkt een niet-medicus mij niet de aangewezen persoon om een (tijdelijke) depressie uit te sluiten. De invulling van een duurzaam verzoek zal overigens altijd wat arbitrairs houden. Sluiten twee gesprekken in twee maanden een inpulsverzoek uit?

Het is overigens de vraag of de proeve niet overbodig is. Naar mijn mening biedt het huidige wettelijke stelsel voldoende mogelijkheden om deze groep ouderen uit hun lijden te verlossen. De wet spreekt enkel van uitzichtloos en ondragelijk lijden. De Hoge Raad heeft dit in het Brongersma-arrest echter ingekleurd door te stellen dat er pas sprake is van ondraaglijk en uitzichtloos lijden indien dit voortvloeit uit een medisch geclassificeerde ziekte of aandoening.

Verwarring
Naar mijn mening heeft dit arrest onnodig tot grote verwarring geleid onder artsen. Waarom zou een zogenaamde ouderschapskwaal niet onder een medisch geclassificeerde aandoening vallen?
Het bestaande wettelijk kader dient mijns inziens niet ter discussie te worden gesteld. Wel zal er onder medici meer discussie moeten worden gevoerd over de invulling daarvan. Tevens zou artsen meer houvast moeten worden geboden over hoe zij op verantwoorde wijze binnen de huidige juridische context met dit maatschappelijk probleem kunnen omgaan. De eis van rechtszekerheid is door het Brongersma-arrest in het geding gekomen aangezien de Hoge Raad het risico voor grensgevallen nu bij de arts legt. Dit is naar mijn mening de kern van het probleem en niet het wettelijk kader. Wel hoop ik dat dit wetsvoorstel aanleiding geeft tot nieuwe discussie, waarvan akte!

Meer over