Column

Stel dat je patiënte tien jaar ouder en niet-Westers was. Geen kinderen had. Zou je dan ook zo hard lopen?

null Beeld

Het is vrijdag even na zessen als ik langs de kamer van mijn collega loop. Ze is nog steeds driftig aan het bellen en ik zie hoe haar haar aan haar voorhoofd plakt. Twee weken geleden werd ze bezocht door een jonge vrouw met een aantal vage, alarmerende klachten. Na diverse onderzoeken in het ziekenhuis blijkt sprake van kanker.

Althans, er lijken uitzaaiingen aanwezig in diverse organen, maar de primaire tumor is nog steeds onvindbaar. Daarmee blijft de prognose onzeker en een behandeling onduidelijk. In de communicatie tussen het ziekenhuis met patiënt, familie en het Academische Centrum verderop gaat van alles mis.

Patiënte en haar partner namen vandaag drie keer contact op met mijn collega om hun beklag te doen. Ze smeekten haar om hulp. Nu heeft ze alle behandelaren gebeld en geprobeerd iedereen op één lijn te krijgen, maar de hoofdbehandelaar is de specialist in het ziekenhuis. ‘Ik kan zo weinig doen nu’, eindigt mijn collega haar relaas.

Ik knik begrijpend maar vraag ook: ‘Wat maakt dat je dan zoveel doet?’ Ze is even stil, kijkt bedenkelijk naar haar computerscherm en zegt dan zachtjes: ‘Dit had ík kunnen zijn. Ik ben geboren in hetzelfde jaar, haar kindjes zijn even oud als de mijne. We lijken qua uiterlijk zelfs op elkaar.’ Mijn collega lacht bedrukt. ‘Dit klinkt vast een beetje vreemd’. Maar dat klinkt het niet.

Ik denk terug aan mijn tijd in Zululand, Zuid-Afrika. In het ziekenhuisje, gelegen op de grens met Mozambique, stierven dagelijks jonge mensen aan de gevolgen van hiv. Ik zag kinderen sterven aan malaria, tuberculose en aan ordinaire ondervoeding. Het kwam regelmatig voor dat ik de werkdag startte met drie of vier overlijdenscertificaten en dat raakte mij soms meer dan goed was.

Eén casus maakte met name indruk. Hannes was een
28-jarige jongen uit Johannesburg. Ook zijn achternaam was oer-Hollands, duidelijk een afstammeling van de Nederlandse boeren die jaren geleden Oost-Nederland verruilden voor Zuid-Afrika. Hij ging met zijn familie op vakantie naar Mozambique. Op de eerste vakantiedag sloeg het noodlot toe.

Tijdens een tochtje op de ruige zee viel Hannes achterover van een motorboot en werd zijn hoofd gescalpeerd door een van de draaiende rotorbladen. Zijn vader en broer trokken hem uit het water en reden in paniek naar ons ziekenhuis. Een tocht van meer dan een uur over mulle zandwegen. Onderweg stierf Hannes.

Bij aankomst in het ziekenhuis ondernamen we een reanimatiepoging maar het was zinloos. ‘Ow mij liewe seun, ow my sweet sweet boy’, prevelde de ontroostbare vader terwijl hij het gehavende gezicht van zijn zoon bleef aaien.

Daar stonden we dan. Een Engelse, een Duitse en twee Nederlandse dokters. Wij huilden geluidloos mee. We spraken er nog weken over, terwijl het leed om ons heen onverminderd doorging. Het irriteerde me bijna. Waarom was ik zo geraakt door deze situatie? Ik kwam tot de ongemakkelijke conclusie dat ik mij met Hannes en zijn familie identificeerde. Onze cultuur, onze taal en onze manier van rouwen kwamen overeen en daarom liet het mij niet los.

Dat mensen zich het meest aangetrokken en aangesproken voelen door mensen die op hen lijken is geen onbekend verschijnsel. Miljoenen uitgemergelde mensen in Madagaskar halen een klein artikeltje halverwege deze krant, terwijl de overstroming in Limburg en onze buurlanden de voorpagina’s halen. Want de eerste groep zijn ‘zij’. De tweede, dat zijn ‘wij’.

In de gezondheidszorg willen we graag geloven dat we iedereen op dezelfde manier behandelen. Dat geslacht, leeftijd, achtergrond, religie en taal geen rol spelen. Hoewel dat altijd het streven moet zijn, is het ook een illusie. Ik merk hoe collega’s verschillen in de mate van begrip en compassie voor een patiënt of patiëntengroep.

Hoe de balans tussen distantie en professionele betrokkenheid per zorgverlener en afhankelijk van de patiënt tegenover hen verschuift. Voor goed zorgverlenerschap is het cruciaal dat we ons daarvan bewust zijn of dat anderen, collega’s of patiënten, ons zo nu en dan een spiegel voorhouden.

Danka Stuijver is huisarts.

Meer over