ColumnGidi Heesakkers

Sinds ik harder fiets, ben ik een gehate weggebruiker

null Beeld .
Beeld .

Sinds ik fiets, dat wil zeggen, sinds ik harder fiets, sinds begin vorig jaar, ben ik een gehate weggebruiker. Maar wel een die zich koste wat het kost geliefder wil voelen dan flaneerquadrijders en degenen die het meest in hun element zijn wanneer ze een Dodge RAM 1500 door een drukke straat kunnen rammen.

Misschien trek ik me mijn lot iets te veel aan. Ik doe erg mijn best om niet die halsbrekende toeren uithalende amateurwielrenner te zijn waartegen een collega eens fulmineerde in de magazinerubriek die ‘Laat het stoppen’ heet, met alle bijval van dien. ‘Een cocktail van overdreven ernst, een gebrek aan zelfspot en misplaatst superioriteitsgevoel, opgediend in een te strak synthetisch tenue’ – niet ik, in mijn merinowollen boetekleed.

Mij hoor je niet zeggen wat ik allemaal denk van tergend trage seniorenduo’s die niet rechts op het fietspad blijven, inhalige jakkeraars die hun trots aan hun accu ontlenen, appende tegenliggers en groepen instabiele tieners die elk tekort aan ruimte in de volle breedte benutten.

Eén steekje laat ik vallen: ik heb geen bel. Als ik mensen die naast elkaar fietsen wil inhalen, stop ik kort met trappen, hoop ik dat ze mijn ketting horen ratelen en roep ik luid, duidelijk en vaak op tijd ‘Sorry!’. De buitenste fietser kijkt dan meestal om, slingert even, vertraagt in plaats van versnelt, gaat achter de ander fietsen in plaats van ervoor, en geeft geërgerd te kennen dat ik ook gewoon een bel kan kopen.

Dat zou ik inderdaad kunnen doen, gewoon een bel kopen. Maar niet voor ik begrijp waarom een alleraardigst waarschuwend ‘Sorry!’ precies onderdoet voor het geluid van een bel. Alsof je het bovendien niet irritanter kunt treffen, met iemand die ‘Tring tring!’ of ‘Aan de kant!’ schreeuwt.

‘Het probleem is het woord sorry’, openbaarde een vriend. ‘Als je sorry zegt, geef je mensen de kans om te denken dat jij iets verkeerd doet.’

Ineens herinnerde ik me een theorietje van cabaretier Kasper van der Laan, die in zijn voorstelling 1 Kilo uitlegt waarom hij pardon zegt en geen sorry wanneer hij in een drukke concertzaal naar voren wil. Bij sorry raken mensen geïrriteerd dat ze aan de kant moeten. Maar van ‘pardon!’ schrikken ze. Dan zeggen ze zélf sorry en gaan opzij. Met elke stap, elke pardon, splitst het publiek zich op, zoals Mozes deed met de Rode Zee.

Hij pardont ook tijdens het hardlopen, zei Kasper toen ik mijn kwestie aan hem voorlegde. ‘Soms klap ik in mijn handen als ik iemand tegemoet loop die in zijn mobiel zit. Even laten schrikken.’

Het pardoneffect, met één genadeklap het machtige schuldgevoel verplaatsen, vereist wel de juiste toon. Zelfverzekerd, op het triomfantelijke af, met de ‘r’ van een onvermurwbare basisschooldirectrice. Als sorry gefeliciteerd is, dan is pardon proficiat.

Te lief, vond Kasper de pardons die ik per spraakbericht op hem oefende. Ik probeer nu uit te groeien tot een net iets grotere verkeershufter. Neem me alvast niet kwalijk.

Meer over