ColumnEva en Eddy Posthuma de Boer

Sinds ik een coronahond tegenkwam kijk ik nooit meer hetzelfde naar honden

null Beeld

Al wandelend door mijn buurt denk ik aan Martin Bril en aan De Dikke Man, die hun wandelobservaties optekenden als waren het ware avonturen. Ze maakten altijd wel iets mee wat de moeite van het vertellen waard was, meestal iets treurigs waar je ook om kon glimlachen. Ik maak nooit iets mee tijdens het wandelen, ja, één keer vond ik een tientje, daar schreef ik dan ook onmiddellijk een stukje over. Misschien moet ik beter opletten, niet zo angstig zijn voor anderen, mijn hoofd niet altijd verstoppen in een grote capuchon. De onderwerpen liggen op straat, waarom sluit ik me daarvoor af?

Alsof ik de goden heb verzocht, kom ik, precies op het moment dat ik mijn capuchon laat zakken, een echtpaar tegen dat ik ken. Niet goed, maar van hier en daar: het schoolplein, een picknicktafel-stoepborrel waar het hier zomers van wemelt, de verjaardag van een wederzijdse vriend. De man en de vrouw, hun namen zijn me even ontschoten, dragen allebei hippe gympen van hetzelfde merk, hij van de herenlijn, zij van de dameslijn, en zien er schoongewassen uit, alsof ze grootse plannen hebben voor de dag. Ik steek er in mijn kloffie nogal schamel bij af – en God danke de anderhalve meter, want ik denk zelfs dat ik een beetje riek.

Amsterdam, 1978. Beeld Eddy Posthuma de Boer
Amsterdam, 1978.Beeld Eddy Posthuma de Boer

Het echtpaar heeft een hond, een jonge hond die al heel groot is en belooft nog veel groter te worden. Geheel naar behoren vraag ik iets als: goh, hebben jullie een hond? Ja, ze hebben een hond, een coronahond, hahaha. Meteen in de eerste golf gekocht – ze zagen de bui al hangen, en wat hielp er beter tegen de bui dan een hond? Vakantie naar Italië door de neus geboord, maar wat een troost. Nee, ze hadden niet verwacht dat ze het zo leuk zouden vinden, verkondigen ze in koor, terwijl ze getweeën aan de riem sjorren om hun ongeduldige, uit de kluiten gewassen, spartelende pup in bedwang te houden. ‘Een rustig praatje zit er niet echt meer in, hahaha.’

Een rustige vakantie naar Italië ook niet meer, denk ik, terwijl ik mijn hand opsteek en mijn wandeling vervolg. Ik zie het echtpaar al achter de computer in het post-coronatijdperk, naarstig op zoek naar hotels of campings waar honden wel zijn toegestaan. Dat hadden ze tijdens de eerste golf even niet bedacht. Ook niet dat die enorme, wilde, jonge hond tussen hun twee enorme, wilde, jonge puberzonen op de achterbank moet, dat hele eind naar het Gardameer. De namen van die jongens weet ik overigens nog wel: River en Rebel. Stom dat ik niet gevraagd heb hoe de hond heet.

Verder gebeurt er tijdens mijn wandeling niets noemenswaardigs, behalve dat ik ineens veel mensen met honden observeer en me nu bij elke hond afvraag of het een coronahond is.

Meer over