Column

Sheila Sitalsing: gettotoerist die naar Molenbeek gaat valt te prijzen

Hij had zich van tevoren nog afgevraagd of hij 'geen onnodige risico's nam' door zich in te schrijven voor een toeristische rondleiding door de Brusselse gemeente Sint-Jans-Molenbeek, zo bekende een dagjesganger die gisteren in deze krant figureerde in een heerlijke reportage van België-correspondent Leen Vervaeke. Hij had het 'angstaanjagender' verwacht. 'Het is er vast verschrikkelijk', had een medetoerist voor aanvang van de rondgang gedacht, op gezag van het televisienieuws.

Gids Erik Nobels leidt toeristen rond in Molenbeek. `Leven en laten leven: dat is hier de slogan.' Beeld Aurélie Geurts
Gids Erik Nobels leidt toeristen rond in Molenbeek. `Leven en laten leven: dat is hier de slogan.'Beeld Aurélie Geurts

Het viel alleszins mee. Het is best netjes in Molenbeek, zo toonde de gids, een man die overloopt van aandoenlijke welwillendheid. De kerk zit er op zondag vol, er is een biologische markt, de Marokkaanse bakker verkoopt volgende week gewoon weer driekoningenbrood en ze verzinnen dingen om de speeltuin op orde te houden.

Rondleidingen door 'de jihadhoofdstad van Europa' voor witte Belgen die nooit eerder een voet hebben durven zetten in het verarmde stadsdeel, waar de sociale ellende zich concentreert en waar moordenaars als Salah en Brahim Abdeslam en Chakib Akrouh opgroeiden: is dat nou aapjes kijken of getuigt een en ander juist van de prijzenswaardige wil zich in de ander te verdiepen?

Over getto- en sloppenwijktoerisme woedt al jaren een debat. Vroeger, toen het enige tijd in de mode was om films over Amerikaanse bendeoorlogen te maken, had je weleens commotie over bustours door verpauperde Amerikaanse binnensteden voor witte Europese toeristen. Op veilige afstand arme zwarte mensen kijken à raison van 45 dollar per persoon om, eenmaal weer thuis, te kunnen snoeven dat je 'in de getto' was geweest en heus wel wist hoe het eraan toeging, daar in de straten van de Bronx.

Sloppenwijktoerisme is inmiddels vooral populair in verre, arme landen. Naar de townships van Johannesburg, naar de favela's van Brazilië, naar de sloppenwijken van New Delhi: het is weer eens wat anders dan twee weken Phuket of de trappen van de Eiffeltoren bestijgen.

Dat kun je voyeurisme noemen, of exotisme, of dierentuintoerisme, of circusreizen, maar misschien is het wel een betere vorm van toerisme, zo zei Fabian Frenzel, auteur van een boek over sloppenwijktoerisme (Slumming it) afgelopen zomer in Forbes. Volgens hem hebben toeristen die dit soort plekken opzoeken doorgaans oprechte interesse in de oorzaken van ongelijkheid in de wereld. Ze hebben erover gelezen, de foto's gezien of de films, en nu willen ze ook met eigen ogen zien hoe de andere helft leeft. Toerisme als educatief project. Zo werd Dharavi in Mumbai na de film Slumdog Millionaire overlopen door toeristen. Rijk worden de getto- en sloppenwijkerbewoners er doorgaans niet van, aldus Frenzel. De reisorganisaties wel.

Er valt wel iets anders te winnen: wederzijds begrip en het overwinnen van de angst voor de ander. Je kunt lachen om de Molenbeektoeristen, die alleen groepsgewijs en onder begeleiding de wijk durven te betreden en die nu verbaasd constateren dat migranten net mensen zijn. Maar ze vallen ook te prijzen. Ze hebben zich bereid getoond uit hun veilige leefbel te stappen en voorbij de krantenkoppen te kijken. Dat zouden meer mensen moeten doen.

Meer over