ColumnKoen Haegens

Schulden maken alla, maar van onze tot de rand gevulde geldpotten moeten ze afblijven

Wat is het toch met Nederlanders en schulden? Het nationale zelfbeeld is dat van een zuinig, calvinistisch landje waar sparen een deugd is, van de bankrekening tot de Efteling-zegels. Schulden staan in een minder gunstig daglicht. Om maar te zwijgen van spilzieke types aan de Middellandse Zee of de Caraïben die hun leningen niet dreigen af te lossen.

Niet vreemd dus dat drie op de vier kiezers het onverzoenlijke optreden van minister van Financiën Wopke Hoekstra in Europa steunt. Als er al geld moet naar landen als Italië en Spanje, dan in de vorm van leningen met harde voorwaarden – want terugbetalen zullen ze, tot de laatste euro. Die houding komt niet enkel voort uit ‘vrekkigheid’. Het gaat om zonde en boetedoening. Veelzeggend is de titel die een van Hoekstra’s voorganger, Onno Ruding, eind jaren tachtig meegaf aan een lezing: ‘Staatsschuld als morele last’.

Toch strookt deze bijna-religieuze afkeer van schulden niet met de werkelijkheid. Jawel, de Nederlandse overheid stond vorig jaar voor minder dan 50 procent van het bruto binnenlands product (bbp) in het krijt bij haar schuldeisers. Maar blijkbaar is de ene schuld de andere niet. Bedrijven hebben voor 166 procent van het bbp geleend. De hypotheekschuld van huishoudens bedraagt nog eens 738 miljard euro – bijna 91 procent van het bbp.

Met die private schuldenberg behoort Nederland tot de Europese kampioenen. Dat is geen ongelukje. Via het belastingstelsel – hypotheekrenteaftrek, bevoordelen vreemd vermogen bedrijven – heeft een lange reeks kabinetten dit gedrag willens en wetens aangemoedigd. Als het om publieke schulden gaat is er het opgeheven vingertje. Maar voor private schulden houdt Nederland een blinde vlek. Niks schuldencalvinisme.

Dat is hypocrisie van de bovenste plank. Zou het iets te maken hebben met ons gigantische vermogen? Alleen al de huishoudens bezitten 2.445 miljard euro. Niet dat we de private schulden daartegen kunnen wegstrepen, zoals tot voor kort werd gesteld. Daarvoor zijn de Nederlandse vermogens veel te ongelijk verdeeld. Bovendien is tijdens de crisis op de huizenmarkt wel gebleken dat een huiseigenaar die onder water staat weinig heeft aan een riant pensioen, zolang hij daarover niet vrij kan beschikken.

Het sleutelwoord is rentenierskapitalisme. Al dat vergrijsde vermogen moet namelijk ergens in belegd worden. Zo bezien zou Nederland wel gek zijn om schulden consequent terug te dringen. Geld uitlenen is bittere noodzaak. Als het maar tot de laatste cent terugkomt. Niet voor niets pakt Nederland, vergeleken met bijvoorbeeld de Verenigde Staten, wanbetalers zeer streng aan.

Blijft over de vraag waarom we dan wel moeilijk doen over staatsschulden. De gegoede burgerij weet van oudsher dat als die te hoog worden, de heersers zomaar kunnen besluiten de belastingen te verhogen. Op dat gevaar wees ook Ruding in zijn morele last-lezing. Of ze zetten de geldpers aan – een vrees die doorklinkt in de kritiek op de Europese Centrale Bank. In beide gevallen krijgt het Nederlandse vermogen een knauw.

Schulden maken alla, maar van onze tot de rand gevulde geldpotten moeten ze afblijven.