Essay

Rutte wil een ‘gaaf land’ besturen, maar is niet geïnteresseerd in de mensen die er wonen

Gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire lopen mee in de Mars met de Moeders, november 2021. Premier Mark Rutte diende op 15 januari het ontslag in van zijn regering als gevolg van de ‘snoeiharde, maar faire’ con­clusies van de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvang­toeslag. Beeld Ramon van Flymen / ANP
Gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire lopen mee in de Mars met de Moeders, november 2021. Premier Mark Rutte diende op 15 januari het ontslag in van zijn regering als gevolg van de ‘snoeiharde, maar faire’ con­clusies van de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvang­toeslag.Beeld Ramon van Flymen / ANP

‘Ik ga niet zoeken naar sociologische oorzaken’, zei Rutte na de avondklokrellen. Die desinteresse is exemplarisch voor de huidige bestuurscultuur.

Ariejan Korteweg

Iedereen zal zijn eigen moment hebben waarop het drama van dit politieke jaar – het meest turbulente en beschamende jaar sinds lang – zich in zijn volle omvang openbaarde. Allicht denk je dan aan de regenachtige dag kort na de verkiezingen waarop minister Ollongren met haar formatiepapieren onder de arm op het Binnenhof naar haar auto stormt, omdat ze zojuist hoorde dat haar coronatest positief is. Waarna door een wakkere ANP-fotograaf een doorgaans onzichtbaar stukje van de Haagse machinerie openbaar wordt gemaakt en iedereen in het 1 april-debat dat volgt in blinde woede over elkaar buitelt om Mark Rutte de les te lezen. Waarna hij er met een Motie van Afkeuring van afkomt.

Mijn moment ligt wat eerder: het is januari 2021. Het kabinet Rutte III is sinds een week demissionair, de verkiezingen moeten nog komen. Er is een campagne die maar geen campagne wil worden, omdat alle lastige thema’s worden vermeden. Dat gebeurt onder aanvoering van Rutte, die al vroeg bekendmaakte zijn volle aandacht op de pandemie te willen richten en zo min mogelijk tijd voor de campagne in te ruimen. Met voor hem als prettige bijkomstigheid dat zowel de VVD als zijn positie tot aan de verkiezingen niet noemenswaardig op de proef kunnen worden gesteld.

In die merkwaardige, luwe periode wordt een complete lockdown ingevoerd, inclusief avondklok. Waarna overal in het land hevige rellen uitbreken, ze springen van stad naar stad, op internet worden oproepen gedaan te verzamelen. Sociale wetenschappers zoeken later naar verklaringen, ze proberen de geweldsuitbarsting te begrijpen.

Geen belangstelling voor oorzaken

Zo niet Mark Rutte. Die heeft geen behoefte aan duiding. ‘Ik ga niet zoeken naar sociologische oorzaken’, zegt hij letterlijk. ‘Ik ben geen socioloog en dat wil ik ook helemaal niet zijn.’ Wanneer eind november, opnieuw na de aankondiging van strenge maatregelen, in Rotterdam gewelddadige rellen uitbreken, reageert hij hetzelfde. ‘Dit zijn idioten, puur geweld.’ Voor een mogelijk verband tussen rellen en maatregelen heeft hij geen belangstelling.

Ahmed Aboutaleb, de burgemeester van Rotterdam waar in januari winkels worden geplunderd, doet het anders. Die laat een filmpje opnemen in een Rotterdamse straat waar geplunderd is en spreekt de relschoppers direct toe. ‘Goed gevoel, dat je je stad naar de vernieling hebt geholpen?’, informeert hij. ‘En ouders: ja, u bent er ook nog. Heeft u uw zoon gemist?’ Hier spreekt een bestuurder niet over, maar met zijn burgers.

Ongetwijfeld was het vandalisme wat in Rotterdam en elders gebeurde. Maar ook vandalisme komt ergens vandaan. Die desinteresse voor oorzaken die Rutte aan de dag legt, dat niet willen weten waar zo’n geweldsuitbarsting vandaan komt, is schokkend omdat het haaks staat op wat je van een bestuurder mag verwachten. Wie de oorzaken niet kent, kan alleen de gevolgen bestrijden, een proces zonder einde. Het is mechanisch denken: rellen, daar moet de knuppel op. Terwijl er wellicht onderliggende factoren als baanzekerheid, huisvesting of gebrekkige opleiding in het spel zijn die aandacht verdienen.

De reactie van Rutte op de rellen staat niet op zichzelf en is niet uniek voor hem. Hij is wel typerend voor hoe het land het afgelopen decennium, en eigenlijk al veel langer, is bestuurd. Je ziet het terug bij de Belastingdienst, al evenmin geïnteresseerd in oorzaken: verdacht van fraude? Dan geen toeslag. Onlangs werd bekend dat met een programma werd gewerkt dat potentiële gevallen van fraude vroeg moest herkennen. Honderdduizenden kwamen op de zwarte lijst, enkele duizenden raakten zonder onderzoek hun toeslagen kwijt.

De reactie van Rutte is veelzeggend voor de politieke malaise waarin het land is beland. Het is de uitkomst van een gestage ontideologisering van de politiek, waaraan decennia – toch minstens vanaf de paarse kabinetten – is gewerkt. In die decennia is de politiek verschoven van willen naar doen, van idealen naar oplossingen, van betrokkenheid naar consumentisme, van burgers naar klanten; het ambt werd een baan.

Er moesten dingen geregeld en eerlijk is eerlijk: er is de afgelopen jaren veel geregeld. Sturen op resultaat – zoals dat in vakjargon heet – werd stilzwijgend het motto waaronder de afgelopen decennia politiek is bedreven. Den Haag is er goed in.

Technocratische bestuursstijl

Drie kabinetten Rutte hebben op die manier gefunctioneerd. Hoe dwingend die benadering is, zag je het best bij Rutte II. Twee ogenschijnlijke tegenpolen – VVD en PvdA – vonden elkaar in no time, popelden om aan de slag te gaan, voerden tal van soms pijnlijke maatregelen door – studiefinanciering, arbeidsmarkt, vreemdelingenbeleid – en constateerden toen het stof was neergedaald dat ze daarbij hun kiezers ver achter zich hadden gelaten. Wat voor de VVD-kiezer best overkomelijk bleek te zijn: die herkende genoeg in het beleid. De PvdA-achterban raakte vervreemd en is dat nog steeds.

Bij zo’n technocratische bestuursstijl wordt alles in termen van haalbaarheid gegoten. Met grote gevolgen voor de manier van politiek bedrijven, maar ook voor de ambtenarij, die geacht wordt niet per se met de best mogelijke voorstellen te komen, maar met adviezen waarin wordt meegewogen of het politiek draagvlak groot genoeg is. Zo ontstaat als vanzelf een sterke centripetale werking: alles naar het midden, alles in dezelfde mal.

Wat je daarin weerspiegeld ziet is de stand van het land. CDA, VVD, PvdA en D66 waren ooit emancipatiepartijen, vehikels met het doel om de eigen achterban op te stoten in de vaart der volkeren. Dat doel is goeddeels gerealiseerd: de achterban heeft inmiddels veel van wat z’n hartje begeert en is gebaat bij een status quo, bij behouden wat er is met hooguit kleine tikjes naar links of rechts. Kijk naar het coalitieakkoord waar vier ogenschijnlijk nogal uiteenlopende partijen hun handtekening onder zetten. De consensus in het hart van de politiek is zo groot dat ook GroenLinks en de PvdA moeite hebben strijdpunten aan te wijzen.

Zo navigeert de status quo over een smalle bandbreedte van behaaglijkheid, en onderweg slinken de verschillen totdat ze nagenoeg niet meer waarneembaar zijn. Het politieke engagement dat nog resteert, wordt verlegd van inhoud naar personen, zodat er in elk geval voor het oog nog verschillen zijn. Van politiek naar stijl, van inhoud naar influencing, waarbij de verkoopmethode meer gewicht in de schaal legt dan de inhoud. Denk aan Hoekstra op de schaats, of Rutte met zijn vaasje.

Zeeën van ruimte

Rond die kluwen in het hart van de politiek zijn daardoor zeeën van ruimte ontstaan. Een ruimte die dankbaar wordt ingevuld door nieuwe partijen, aangejaagd door een samenleving waar meer waarde wordt gehecht aan het individuele dan aan het gemeenschappelijke, en waar het zoeken naar verschillen dankbaarder werk is dan het vinden van overeenkomsten.

Nieuwe breuklijnen zijn in kaart gebracht, overtuigend genoeg om tot succesvolle partijvorming te leiden: plattelanders die wezenlijk anders zijn dan stedelingen; mensen van kleur die andere belangen hebben dan witte mensen; de balans tussen mens en dier die moet worden hersteld. Een geïntegreerd Europa blijkt een allesoverheersend concept te kunnen zijn, net zo goed als vreemdelingenhaat of leeftijd. Een rol die religie al langer vervulde.

De Tweede Kamer bestaat uit negentien fracties. Het leidt tot een pandemonium waarin de leiders van gevestigde partijen zich niet thuisvoelen. Debatteren met Caroline van der Plas of Sylvana Simons vergroot de kans op ongelukken en draagt niet bij aan het gewenste profiel, is de inschatting. Dualisme of niet: de leiders van CDA en D66 gaan waarschijnlijk – anders dan vier jaar geleden, toen niet alleen Segers maar ook Buma en Pechtold Kamerlid bleven – de regering in. Zo dragen ze bij aan de ontkleuring van het midden, en wordt het fractieleiderschap verder uitgehold.

De hele Haagse machinerie is inmiddels op stoom om te proberen de verschillen andermaal tot beheersbare proporties terug te brengen. De nieuwe partijen moeten gedomesticeerd. Laat ze meedraaien in het Haagse circuit, leer ze fatsoenlijk via de voorzitter te spreken, laat ze samenwerken en zoeken naar overeenkomsten, ook al zijn ze naar Den Haag gekomen omdat ze zich niet kunnen vinden in de zittende volksvertegenwoordiging. Vorm een kleine partijenberaad. Dat alles bovenop de gangbare praktijk om debatsbijdragen en teksten van moties tevoren te laten lezen door de minister en collega’s, zodat debatten theater worden. Het draagt ongetwijfeld allemaal bij aan de souplesse van het parlement, maar laat ook zien hoe sterk de aanzuigende werking van de polderdemocratie is.

Vroeg in de jaren negentig – Pim Fortuyn was nog bijzonder hoogleraar arbeidsvoorwaardenvorming – sprak ik de Vlaamse schrijver Tom Lanoye, een van de grondleggers van het cordon sanitaire rond Vlaams Blok. We spraken over de afwezigheid van extreem-rechts in Nederland. ‘Pas maar op’, zei hij. ‘Jullie leven onder een stolp. Binnenkort tikt iemand daar tegenaan en dan ga je wat meemaken.’ Lanoye zag het scherp: de stolp boven Nederland barstte. Onder aanvoering van een reeks rechtse of centrumrechtse kabinetten werden reparatiewerkzaamheden uitgevoerd. Er werd opnieuw iets gebouwd wat bescherming leek te kunnen bieden tegen de buitenwereld.

Groeiende kloof tussen burger en overheid

Het afgelopen jaar barstte de stolp opnieuw. Wat eronder vandaan kwam: kansenongelijkheid, groeiende tweedeling, zorg en onderwijs die niet naar behoren functioneren, een regering die louter naar de korte termijn kijkt, een overheid die op efficiency koerst. Onder die stolp groeide het wantrouwen en nam het de gedaante aan van een kloof tussen burger en overheid. Een kloof die door corona nog dieper wordt. Oud-minister Jet Bussemaker sprak in november in een universitair onderzoek van Nederland als een ‘laag-vertrouwensamenleving’.

Rutte IV erkent dat probleem. De aankomende premier had al ‘nieuw elan’ beloofd. De regering in wording wil een ‘andere politieke cultuur. Een politiek waarin verschillen worden overbrugd in plaats van worden uitvergroot’, zo staat in het voorwoord van het coalitieakkoord. ‘De sterke overheid die wij voor ons zien heeft oog voor de menselijke maat, is begrijpelijk, bereikbaar en aanspreekbaar’, luidt de belofte. Zo hoopt het toekomstige kabinet het vertrouwen te herstellen.

Gebeurt dat niet, dan zal de wal het schip keren. In de peilingen is sinds begin december iets zichtbaar wat niet eerder aan de hand was: de vijf partijen die al decennia onderling de regeringsverantwoordelijkheid verdelen, Rutte IV plus de PvdA, vormen een minderheid. Zo groot is de vervreemding van de Haagse bestuurders geworden, zo diep is het wantrouwen dat partijen zonder bestuurlijke ervaring hoger worden aangeslagen. Zet die trend door, dan springen de deuren vanzelf open. Dan wordt een bres geforceerd in de bestuurlijke elite van de polder.

Intussen zijn er redenen om te vermoeden dat die tekenen nog niet verstaan worden. Nog steeds is er geen belangstelling voor oorzaken: hoe zou het toch komen dat het geloof in de politiek verdampt is?

Zo kon het gebeuren dat op het VVD-congres van eind november nog geen begin van kritiek op Mark Rutte klonk. ‘Het is lastig veranderen als je 54 bent’, waarschuwde hij zelf op de ochtend van het coalitieakkoord. Het beste bewijs dat er nog werk aan de winkel is, leverde VVD-fractievoorzitter Sophie Hermans aan het eind van diezelfde dag. Of na het debat van 1 april in de VVD de positie van Rutte ter discussie was gesteld, wilde Nieuwsuur weten. Hermans: ‘Nee, dat heb ik niet gedacht en dat is niet besproken.’

Het nieuwe elan van Rutte zal van buiten moeten komen.