Ruis: alles aan het menselijk hoofd wat het schrijven van dikke romans bemoeilijkt

Alles is tenslotte ruis.

Een stratenmaker aan het werk. Beeld anp
Een stratenmaker aan het werk.Beeld anp

Ik heb ruis. Veel ruis. Ruis, aldus Van Dale, is de verzamelnaam voor alles aan het menselijk hoofd wat het schrijven van dikke romans bemoeilijkt. Voorbeelden van ruis: collectanten voor stille armoe, vergeten volle wastrommels, een klusjesman in huis genaamd Ron; de Blauwe Smurf (belastingdienst), paars aanlopend; maar ook de gemeente Amsterdam, die de straat heeft opengebroken. Alles moet nieuw: riolering, gas, elektra, stoepen, bestrating.

Waarom?

Daarom.

De hele dag brullende machines, getril op de schaal van Richter. Om de minuut lijkt de woonstee in te storten. Een van de gehelmde fluorhesjes is een vriendelijk zwaaiende Turk. Al drie keer heeft hij me beloofd dat hij voor 'lekker veilig gas' gaat zorgen.

Hmmm. Verontrustend, een stratenmaker die keer op keer benadrukt dat hij gaat zorgen voor 'lekker veilig gas'. Alsof hij iets aan het 'om-denken' is. Met argusogen bekijk ik zijn verrichtingen vanuit mijn werkkamer. De Turk bedient zich van een kleine graafmachine. Zodra hij erin kruipt, ondergaat hij een metamorfose: Attila de Hun. Aan kalm een geul graven doet hij niet, het moet snel-snel en met piepende rupsbanden, boem is ho, rukkend aan zijn pookjes alsof ze eraf moeten.

Het ergste qua ruis zijn hij en zijn opgefokte apparaatje, dat misschien wel van hemzelf is, en niet van de gemeente, en wie weet helemaal niet de bedoeling ('Mehmet, waar is je schep?') - vooral omdat hij 's ochtends stipt om zeven uur de contactsleutel omdraait. Vroem-vroem! Graven geblazen.

Waarom zo vroeg, Mehmet?

Lekker veilig gas.

Het minst graag zou ik heten: Willem Ruis. Er komt geen letter meer op papier. Toen ik nog bij UT Nieuws werkte, het weekblad van de Universiteit Twente, heb ik Ruis leren kennen, niet Willem, maar Bert Groenman, mijn ouwe chef, die wereld bezag in termen van ruis. Op woensdag-deadlinedag denderde hij soms met opgerolde broekspijpen de werkvloer op, zijn mouwen afslaand alsof hij in brand stond, 'Overal ruis', brulde hij, 'ik zit onder de ruis. Hebben jullie ook zoveel ruis?' Kwam ik op woensdag aan zijn bureau staan, dan keek hij glazig op. 'Wat sta je nou te ruisen, ruis? Of: 'Opruisen, er springt ruis over.' Eens mocht ik meemaken dat de rector magnificus onverwacht binnenliep, hoog bezoek. 'Ruis!', riep Bert met gespreide armen, alsof de rector een jonggestorven quizmaster was.

Anderen zien toverbalkleurtjes, ik hoor ruis bij de weekdagen van UT Nieuws, die zich definieerden in toenemende ruiskracht. De cyclische apocalyps diende zich onmerkbaar aan op donderdag, wanneer de krant af was. Enkel zachte sferische ruis. De hele donderdag lagen we met z'n vijven rozig bij te komen van De Bevalling (persweeën, vacuümpomp, verlossingstang, en toch: keizersnee), stilletjes mijmerend over een nieuw kindje.

Maar dan trad het XXL-weekend in (vrijdag vrij), waarin de ruis helemaal ging liggen, ruiskracht 0, ik zweer het je, niet per se goed, je moest elkaar maandagochtend zo ongeveer opnieuw inwerken.

Maandag: opstekende ruis. Ruiskracht 2-3, met kans op motruis. De dinsdag was andere koek. Gure ruisdag, soms wel kracht 7. Honden janken, secretaresse snibbig. Alleen nog telefonisch interviewen, verboden te zwemmen, staande vergaderen.

Woensdag: code rood. Orkaanruis, kracht 11 tot 12. Lunchen achter de machine. Groenman in de nek, schreeuwend: 'Slome slak, scheid af. Nu! Het is geen poëzie! Stijl? Stijl is ruis!'

Meer over