Remco Campert

'Het zal niet lang duren of het televisiescherm zal een even vertrouwde gast in ons huis zijn als nu de luidspreker', schreef mevrouw Cinelli met vooruitziende blik.'

Remco Campert

Lang geleden (bijna alles is voor mij lang geleden) kocht ik in Rome op een rommelmarktje een aantal oude exemplaren van het zondagsblad van de Corriere della Sera. Dat blad had op het omslag altijd een sensationele kleurenprent, het onderwerp ontleend aan een gebeurtenis die in werkelijkheid had plaatsgevonden, superieur getekend maar wel erg dramatisch aangezet. Zo een prent van een vader op de kant van een omslaande roeiboot, waar zijn twee zoontjes zich aan vastklampen, onbarmhartig aangevallen door een tiental zwanen. Dit was in Stratford-on-Avon gebeurd, 'città natale di Shakespeare'.

Een andere prent toont een moeder die dodelijk verongelukt onder een tram op de piazza Sonnino, maar in het laatste ogenblik van haar leven haar dochtertje buiten bereik van de tram weet te werpen. Met van schrik verwrongen gezichten snellen omstanders toe. De trambestuurder ziet niets.

Op die rommelmarkt kocht ik ook een leerboekje Engels voor Italiaanse studenten, Man and Progress, gewijd aan de wonderen 'della scienza e dell' industria', in 1929 geschreven door Linda Riggio Cinelli. Voorin staat een opdracht van Benito Mussolini. 'Grote dingen worden niet tot stand gebracht door protocollen, maar door vooruit te lopen op de noden van onze eeuw. Het geheim van de macht schuilt in onze eigen wil.' Televisie bevond zich toen nog in een experimenteel stadium. 'Zonder twijfel zijn de radioluisteraars van nu de televisiekijkers van de toekomst. Het zal niet lang duren of het televisiescherm zal een even vertrouwde gast in ons huis zijn als nu de luidspreker', schreef mevrouw Cinelli met vooruitziende blik.

Verplaatsen we ons nu naar een andere wereld, de wereld van film en toneel. Ik ben in het bezit van de Nederlandse Film- en Toneel Almanak 1933, waarin acteurs zich aanbieden voor filmrollen. Ik erfde het van mijn moeder, die erin voorkomt. Er staat ook een foto in van een jonge Paul Steenbergen, een van onze grote acteurs, sigaret tussen de vingers, haar netjes in een scheiding. Hij vermeldt geschikt te zijn voor 'Jonge Dramatische, Komische en Niais Rollen'. Niais is een onnozele hals. Dat was hij niet toen ik hem na de oorlog in een stuk van Strindberg zag spelen. Meer dan een minuut stond hij bewegingsloos stil voor de tuindeuren in het achterfond, zijn rug naar de zaal gekeerd, diep verzonken in zichzelf. In de zaal kon je geen speld horen vallen, zo dwingend bracht die rug de illusie over. Ik heb het tot op de dag van vandaag onthouden als een groot toneelmoment en zou er alsnog een open doekje voor willen geven, maar dat zou de stilte naar verstoren.

Tot slot de poëzie. Uit mijn kast pak ik een boekje met tekeningen en gedichten van Meret Oppenhein, surrealistisch kunstenares (Suhrkamp, 1984). In 1943 schreef ze:

'Boven in die tuin

Daar staan mijn schaduwen

Die mijn rug verkoelen

Ze staan in de tuin

Ze vechten om oud brood

En kraaien als hanen

Vandaag wil ik ze bezoeken

Vandaag wil ik ze begroeten

En hun neuzen tellen'

undefined

Meer over