Essay

Radicaal voorstel: laat politici eens openlijk twijfelen

Onze mediagetrainde politici proberen steeds met trucjes te verhullen dat ze ergens geen antwoord op hebben. Volgens Dave Schut zijn ze beter af als ze, net als goede comedians, hun onzekerheid omarmen.

null Beeld Pieter Van Eenoge
Beeld Pieter Van Eenoge

Doodgaan. Dat is het woord dat comedians gebruiken voor het moment waarop ze de controle verliezen: eerst over de zaal, dan over zichzelf. Ze gaan sneller praten of beginnen juist onverstaanbaar te mompelen, klampen zich hardnekkiger vast aan wat ze hebben voorbereid, aan ingestudeerde trucjes die ze van de ondergang moeten redden. Met een averechts effect: de val wordt des te pijnlijker.

In een van de mooiste afleveringen van PepTalk, een podcast waarin comedian Pepijn Schoneveld collega’s interviewt, is Raoul Heertje te gast. Heertje is een van de grondleggers van stand-upcomedy in Nederland en kan als geen ander uitleggen wat slechte comedians verkeerd doen. Zijn filosofie kan als volgt worden samengevat: ‘Het is mijn vaste overtuiging dat je mensen niet kunt besodemieteren.’

Heertje legt uit dat slechte comedians grappen afvuren zonder zich bezig te houden met hoe het publiek daarop reageert. Pas wanneer ze de goedkeuring definitief hebben verloren – het moment waarop ze doodgaan – worden ze wakker. Dan is het al te laat.

Daarnaast zijn slechte comedians zich niet of nauwelijks bewust van de gevoelens die ze tijdens hun optreden zelf hebben. En dus heeft het publiek door dat de comedian acteert, dat hij zich anders voordoet. Die onechtheid wordt genadeloos afgestraft: de zaal weigert te lachen.

Hieraan moest ik denken toen ik een filmpje zag van VVD-Kamerlid Jeroen van Wijngaarden. Op donderdag 29 april verschijnt Van Wijngaarden voor de camera van Nieuwsuur. Verslaggever Jorn Jonker lijkt de politicus te hebben verrast. Ze staan op een wat ongebruikelijke plek, ergens in een fel verlichte hal, met op de achtergrond een kopieerapparaat, een brandblusser, een stoel en een deur. Vooral die deur speelt in het filmpje een belangrijke rol. Het is een deur waar Van Wijngaarden naarmate het interview voortduurt steeds openlijker naar verlangt.

Jonker overvalt Van Wijngaarden niet voor niets. Van Wijngaarden zat in de commissie die concludeerde dat het kabinet om politieke redenen informatie over het toeslagenschandaal had achtergehouden, en nu heeft de waarnemend fractievoorzitter van zijn eigen partij, Sophie Hermans, in de Kamer beweerd dat van politieke redenen geen sprake was. Jonker wil weten hoe dat zit.

‘Jullie moeten gewoon bij de voorzitter van de parlementaire ondervragingscommissie zijn’, zegt Van Wijngaarden.

‘Maar u bent lid geweest van die commissie’, antwoordt Jonker. ‘En u heeft opgeschreven: vanwege politieke redenen is er informatie achtergehouden.’

Dit is het moment waarop de omvang van zijn eigen paniek tot Van Wijngaarden begint door te dringen. De overduidelijke waarheid is dat hij in een reflex van volgzaamheid niet durft toe te geven dat Hermans een andere conclusie trekt dan hij. Maar omdat hij nog geen geloofwaardig excuus heeft bedacht waarmee hij de verslaggever van zich af kan schudden, komt hij vast te zitten. De kortsluiting is van zijn gezicht af te lezen. Hij drukt zijn tong in zijn mondhoek, knikt op de verkeerde momenten en perst met de grootst mogelijke moeite een reeks oppervlakkige smoesjes uit zijn keel.

Uiteindelijk klampt Van Wijngaarden zich vast aan het idee dat er iemand op hem staat te wachten. ‘Ik ga nu echt mijn bezoek ophalen’, zegt hij voor de vierde keer, en snelwandelt richting de deur. De ramp heeft zich dan al voltrokken: voor de kijker is Van Wijngaarden door de mand gevallen.

Het filmpje werd flink gedeeld op Twitter. Hoe beschaafd we ook zijn, we vinden het verrukkelijk om te zien hoe anderen worden vernederd. Als het dan ook nog eens politici betreft, dan is ons geluk volmaakt. Dit genre werd twaalf jaar geleden populair toen Ella Vogelaar door Rutger Castricum in het nauw werd gebracht. Zeven jaar later was het John Leerdam die deed alsof hij de terrorist Jablabla kende, een naam die de 3FM-verslaggever van dienst zelf had verzonnen.

Toch is er een groot verschil tussen toen en nu. Waar politici vroeger benauwd werden van schijtlollige pesterijen vermomd als humor, zijn ze daar tegenwoordig op voorbereid. Zogenaamde lastposten als Jaïr Ferwerda en Emma Wortelboer, varianten op Castricum, zijn inmiddels een cadeautje. Een manier om aan het publiek te bewijzen dat je ook nog eens menselijk bent, grappig, charmant.

Nu is de verslaggever van Nieuwsuur het schrikbeeld. De journalist die een goede vraag stelt, niet door te zeiken, maar door te luisteren en precies op de zwakte in de woordenbrij in te spelen. Voor politici gebeurt dan iets vreemds: ze raken met iemand in gesprek. Zelfs Rutte kwam door Jonker in de problemen, toen hij werd gevraagd of er uitleg kwam over de Omtzigt-notitie.

Toen het filmpje van Van Wijngaarden op Twitter rondging, schreef politiek journalist Chris Aalberts: ‘Voorlichting niet in de buurt, dan gebeuren er rampen.’ Ironisch bedoeld natuurlijk, maar wel exemplarisch voor de moderne verhouding tussen politiek en journalistiek. Wanneer politici door de mand vallen, is dat de schuld van hun woordvoerders. Als die een trucje hadden bedacht, was er niets aan de hand geweest.

Onlangs bleek uit onderzoek van EenVandaag dat de uitgaven aan externe voorlichters onder Rutte III zijn verdrievoudigd. Het aantal communicatiemedewerkers nam toe met een kwart. Politici anno 2021 bestaan voor een groot deel uit wat ze krijgen ingefluisterd.

Die verslaving aan controle staat niet op zich. De succesvolste Nederlandse politicus van de afgelopen tien jaar is zo’n beetje de verpersoonlijking van pr-politiek. Mark Rutte is de koning van de babbelende leegte. Wat hij werkelijk vindt, voelt of denkt is onduidelijk en door zijn talent irrelevant. Hij lacht vriendelijk, klinkt slim en valt nooit door de mand.

Althans, zo lijkt het. Want ondertussen is bij velen het vermoeden ontstaan dat iets niet klopt. Niet op een rationeel niveau, maar als gevoelsmatig oordeel van een kijker: hij zegt maar wat. Je kunt er niet precies de vinger op leggen, want hij loopt over van gedachten, argumenten en details. Toch weet je: hij meent dit niet. Hij gebruikt woorden om duidelijk te maken dat hij het vraagteken heeft gehoord, niet om daadwerkelijk antwoord te geven. In cijfers: begin april had slechts een kwart van de Nederlanders vertrouwen in Rutte.

Vaak wordt de controledrift van Rutte en de macht van woordvoerders een logische en zelfs onvermijdelijke reactie genoemd op een veranderd mediaklimaat: hijgerige journalisten die op alle slakken zout leggen, sociale media die na ieder foutje ontploffen.

Maar dat politici altijd en overal om een verklaring kunnen worden gevraagd, is niet nieuw. In de biografie van Hans van Mierlo citeert Hubert Smeets hem als volgt: ‘Een politicus, en vooral een zogenaamd politiek leider, wordt geacht in alle omstandigheden meteen een werkelijk oordeel te hebben over een politieke situatie of een maatschappelijk probleem dat gerezen is. De functie van woorden is dan, om standpunten te maken die er au fond niet zijn. Dat is niet liegen. Nee, het is in plaats van lopen voor je leven formuleren voor je leven.’

Van Mierlo had een manier om daarmee om te gaan die het op de korte termijn nog lastiger voor hem maakte, maar waardoor hij tegenwoordig geldt als een van de meest gewaardeerde Nederlandse politici van de vorige eeuw: openlijk durven twijfelen. ‘Van Mierlo was niet de man die, op basis van kiezersonderzoek en focusgroepen, precies op het goede moment zei wat zijn volgers wilden horen’, schrijft Smeets, ‘nee, hij normeerde veel intuïtiever.’ En verderop: ‘Onzekerheid was in zijn ogen geen handicap, maar een pre. Dat was Nederland niet gewend.’

Deze tactiek komt overeen met wat de talentvolle, ervaren comedian op het podium doet en wat de slechte comedian niet begrijpt. Wie in het nauw zit, kan zichzelf maar op één manier redden: de onzekerheid omarmen.

‘Je moet je altijd realiseren dat een zaal liever kijkt naar iemand die mislukt en dat toegeeft, dan naar iemand die niet goed gaat maar die vindt dat-ie het wel kan’, aldus Micha Wertheim. In 24 uur met zei Daniël Arends iets soortgelijks: ‘Ik heb op een dag geleerd om gewoon eerlijk te zijn. Ik heb een noodrem. Als het echt verkeerd gaat, dan trek ik daaraan en dan zeg ik: het spijt me. [...] Ik probeerde het goed te doen, en het is niet gelukt.’

Hedendaagse politici worden volgepropt met trucjes en zien daardoor een veel simpeler mogelijkheid over het hoofd: niet de kwaliteit of de uitvoering van het trucje is het probleem, het trucje zélf is het probleem. De voorlichting was bij Van Wijngaarden wel degelijk in de buurt: die zat als een stemmetje in zijn hoofd dat hem vertelde dat hij koste wat kost de waarheid moest verhullen, dat openheid zijn ondergang zou betekenen. Zijn fout was geen gebrek aan mediatraining, maar een overdosis, een houding die van de waarheid per definitie een gevaar maakt.

Over de nieuwe bestuurscultuur is al veel gezegd en geschreven. Ik zou daar graag iets aan willen toevoegen: maak er meteen een cultuur van waarin politici, net als Van Mierlo, openlijk durven te twijfelen.

Want stel nu dat Van Wijngaarden eerlijk was geweest. Ja, dat is een krankzinnige voorstelling, maar laten we eens doen alsof. Dan doen zich ineens uiteenlopende mogelijkheden voor. Hij had kunnen zeggen: ‘O, beweert Hermans dat? Dan komen onze conclusies niet overeen.’ Hij had desnoods zijn oordeel kunnen uitstellen: ‘U overvalt me met deze vraag en ik zou er graag op een later moment op terugkomen.’

Nu denken zowel politici als hun voorlichters en waarschijnlijk ook de doorgewinterde Haagse journalisten: zo zit de wereld niet in elkaar, schrijvertje. Politici die altijd eerlijk zijn, worden aan stukken gescheurd.

En inderdaad, het is naïef om te denken dat ze altijd de waarheid kunnen spreken. Net als de rest van de wereldbevolking moeten ook politici weleens liegen. Maar wanneer de leugen leidend wordt, wanneer de verhulling van de waarheid als beginsel wordt genomen, is er niets meer om op terug te vallen. En dan kan het gebeuren dat alleen een simpele vraag van Jonker al het kleed onder je voeten vandaan trekt.

Toegeven dat je vastloopt, heeft voor mensen die geobsedeerd zijn door beeldvorming de bijsmaak van opgeven. Maar Arends noemt het niet voor niets een noodrem: je voorkomt de val. De echte val is vastklampen aan wat de voorlichter je heeft ingefluisterd terwijl de journalist je al heeft ontmaskerd, zoals de comedian het pijnlijkst doodgaat wanneer hij een grap blijft aanbieden die het publiek al heeft afgewezen.