ColumnFrank Heinen

Prettig vooruitzicht: herziening van de structureel terugkerende ophef over studentenverenigingen

Frank Heinen artikel Beeld -
Frank Heinen artikelBeeld -

Hoewel de dagen zomerser zijn dan in de zomer, wordt het steeds vroeger donker, gaan de eerste blaadjes tot verkleuring over en stijgt uit de gracht gefluister op over zich misdragende studenten. Als dat het begin van de meteorologische herfst niet is!

Na een zoveelste geflipte ontgroening leidde filosoof Thijs Lijster drie jaar geleden zijn essay over het corps in De Groene Amsterdammer in met een waslijst aan incidenten en vroeg zich af wanneer een dergelijke reeks incidenten eens beschreven zou worden als wat het is, namelijk een structureel probleem. Met het verheugende bericht dat het A.S.C. de dispuutsontgroening afschaft ‘onder de huidige opzet’, lijkt er dinsdagmiddag schoorvoetend een begin te zijn gemaakt met de oplossing ervan.

Van oudsher ziet de studentenverenigingsopwindingkalender er ongeveer zo uit: in september excessen in de kennismakingstijd, daarna een paar weken kwaaie columns en opiniestukken, ingezonden brieven van al dan niet bekende ex-leden voor wie de vereniging het beste is dat ze ooit is overkomen, een bescheiden sanctie vanuit de universiteit en deo volente een mea culpa van de praeses, ene Felix I.C. Sedet. Dan is er gelegenheid voor wat gezooi en geklooi op kerstborrels en/of skivakanties, Maarten van Rossem die meldt dat hij lid is geweest en dat het allemaal studentikoze flauwekul was, een uitgelekte bangalijst rond Valentijnsdag, een undercoveractie van een tv-programma in april en dan in de zomer het bericht dat alle grote studentenverenigingen zich verheugen in veel meer aanmeldingen dan het voorgaande jaar.

Ditmaal was het de beurt aan het A.S.C. Daar zouden, schreef het bestuur van oud-leden, tijdens de groentijd ‘onacceptabele gedragingen’ hebben plaatsgevonden, die vervolgens werden gebagatelliseerd, of gewoon ontkend. Oud-lid Jessica Broekhuis schreef maandag in deze krant een woedend opiniestuk over de Verelendung waar de vereniging waaraan ze zulke warme herinneringen koestert ten prooi gevallen leek. De vondst ‘elitetroepen’ bleef hangen. Mijn favoriete zin uit alle berichtgeving afgelopen week kwam trouwens uit een artikel van Jurre van den Berg: ‘Het studentencorps heeft inmiddels een bedrijf in de arm genomen gespecialiseerd in crisiscommunicatie.’

Zelf ben ik nooit ‘lid geweest’, het hele fenomeen stond me tegen, met dezelfde vanzelfsprekendheid als waarmee het anderen schijnt aan te trekken. Ik geloof niet dat mijn weerzin tegen het Corps en vergelijkbare verenigingen een of andere geestelijke onafhankelijkheid blootlegt. Eerder een latente angst voor groepen onbekenden in het algemeen, en voor groepen onbekende leeftijdsgenoten in het bijzonder. Net als de meeste studenten die zich aan het begin van hun eerste studiejaar aansluiten bij een traditionele vereniging, vreesde ik veertien jaar geleden eenzaamheid en gebrek aan aansluiting. Maar de gedachte aan het alternatief – nooit meer alleen en altijd aansluiting – joeg me net zoveel schrik aan.

Met een verwarrende mengeling van jaloezie en dedain observeerde ik in de jaren erna de jolige groepen die de sociëteit aan het Janskerkhof in Utrecht op doordeweekse ochtenden uitzweette. Stukje bij beetje kreeg ik door dat ik tegenover die collectieve uitbundigheid geen bezonken diepzinnigheid plaatste, hoogstens een zwaarmoedigheid die ik op sommige momenten best had willen inruilen voor dat ogenschijnlijk zorgeloze groepsgevoel. Alleen aan de perversiteit van de ontgroening heb ik nooit een moment getwijfeld. Zo kwam het dat ik de soos alleen in romans van binnen zag. Waarschijnlijk maar beter ook.

Met het (voorlopig) afschaffen van de ‘dispuutskennismakingstijd’ is de studentenverenigingsopwindingkalender mogelijk aan herziening toe. Prettig vooruitzicht. Elizabeths Strout schrijft in Olive Kitteridge: ‘Het was altijd droevig gesteld met de wereld. En altijd daagde er een nieuwe tijd.’

Meer over