Essay

Pas op voor mooischrijverij die transfobie maskeert

In wat een emanciperende Pride-week hoort te zijn, zag Marte Hoogenboom de nodige voorbeelden van hatelijke sentimenten, verpakt in fraai geschreven opiniestukken.

null Beeld Lynne Brouwer
Beeld Lynne Brouwer

Een plezierig weetje om in de kroeg goede sier mee te maken: het aloude spreekwoord ‘bier na wijn geeft venijn’ heeft helemaal niets te maken met de kans op een kater. Het slaat op het feit dat wijn van oudsher veel duurder was. Dronk je eerst wijn, maar stapte je over op bier, dan zat je financieel waarschijnlijk in zwaar weer. Nou sta ik mijzelf erop voor een rationeel (maar niet altijd nuchter) mens te zijn. Toch heb ik, ook na bovenstaande te hebben geleerd, eens een glas bier afgeslagen ‘omdat ik al wijn op heb’.

Breken met een aforisme is nu eenmaal moeilijk – helemaal als dat aforisme rijmt. Ons brein hecht namelijk meer waarde aan beweringen die het eenvoudig kan verwerken, en rijm fungeert in dat opzicht als een boost. In goed Engels heet dat het rhyme-as-reason effect. Onze liefde voor rijm heeft de mensheid rijke orale tradities opgeleverd. Maar dus ook onzinnige kroegrijmpjes.

Een goede schrijver kent (op zijn minst onbewust) de gereedschappen uit de retorische gereedschapskist. Rijm, herhaling, ritme, beeldspraak... Samen zijn het krachtige middelen waarmee een lezer kan worden overtuigd – tot het punt dat die tegen beter weten in een biertje afslaat. Maar wat als er meer op het spel staat dan een evenwichtige alcoholconsumptie? Wat als behendig gebruikte taal een moreel verwerpelijk standpunt verdoezelt?

Wat nu volgt is voor mij meer dan een uitdagende gedachtenoefening achter een veilige schrijftafel. Er staat voor mij iets op het spel (de pathos gebiedt mij te zeggen: mijn leven). Terwijl bedrijven en andere organisaties deze Pride-week goede sier maakten met de zoveelste geste voor de regenboogbühne, zagen ik en met mij veel (bange) anderen bijna dagelijks hoe hatelijke sentimenten richting lhbti+’ers zich een weg banen naar de Nederlandse column- en opiniesecties.

Met name genderdiverse mensen moeten het ontgelden. In 2014 spraken internationale media nog van een transgender tipping point: het grote publiek had voldoende belangstelling gekregen voor de levens en het welzijn van transgender personen om hun wat publieke (adem)ruimte te gunnen. En inderdaad: onze acceptatie neemt al jaren meetbaar toe. Maar de publieke transfobie (haat jegens transgender personen) ook.

In beide ontwikkelingen spelen media een niet te onderschatten rol. Positieve representatie is een geweldig tegengif tegen intolerantie en onwetendheid. Maar in hun jacht naar controverse en ‘stevige meningen’ schieten redacteuren tekort in het herkennen en weren van suggestieve, onjuiste en hatelijke opvattingen, verpakt in een eloquent jasje. Hoe ziet dat eruit, en wat zijn de gevolgen?

De Nigeriaanse schrijver en grande dame féministe Chimamanda Ngozi Adichie, bekend van haar roman Amerikanah (2013) en het pamflet We moeten allemaal feminist zijn (2014), plaatste dit voorjaar een lijvig essay op haar persoonlijke website. Dat bleef niet onopgemerkt: de massale toestroom van nieuwsgierige lezers legde Adichies site zelfs even plat. Het was niet zozeer de inhoud van het essay die lof oogstte als wel de prachtige taal. En inderdaad: in elke alinea van de tekst klinkt Adichies literaire meesterschap door. De titel alleen al is er een om je vingers bij af te likken: ‘It Is Obscene: A True Reflection in Three Parts’.

Maar dan wordt het raar. De eerste 3.100 (!) woorden van haar essay wijdt Adichie aan het uit de doeken doen van twee persoonlijke vetes met oud-leerlingen die haar van transfobie beschuldigen. De namen van de oud-leerlingen worden niet genoemd, maar zijn eenvoudig te achterhalen: de Nigeriaanse schrijvers OluTimehin Adegbeye en Akwaeke Emezi. Adichie ziet er geen moreel bezwaar in persoonlijke e-mails van de twee in hun geheel in het essay te integreren.

Gaandeweg leren we dat Adichies essay een respons is op de lange nasleep van een interview dat zij in 2017 aan de BBC gaf en dat haar nog steeds achtervolgt. In het interview kreeg zij het niet over haar lippen om te zeggen dat transgender vrouwen vrouwen zijn. ‘Ik vind het moeilijk te accepteren dat [hun] ervaringen vergelijkbaar zijn met die van iemand die sinds haar geboorte als vrouw leeft, zonder de privileges te hebben ervaren die mannen krijgen.’ Die woorden interpreteerden transgender personen en hun bondgenoten als: trans vrouwen mogen zich geen vrouw noemen.

De vraag wie zich vrouw mag noemen is een heet hangijzer in het feminisme, en vormt min of meer een scheidslijn tussen conservatieve en progressieve feministen. Voor die laatsten telt het gender: wie zich vrouw voelt, is vrouw. Voor de conservatievere Adichie is een levenslange ervaring van als-vrouw-gezíén-worden doorslaggevend, inclusief de uitsluiting en onderdrukking die daarmee gepaard gaan. Maar is een meisje dat voor een jongen wordt aangezien en zo wordt behandeld, dan opeens een jongen? Natuurlijk niet. Laat aangezien worden voor iets wat je niet bent nu precies zijn wat veel transgender mensen ervaren.

Hoewel het noodlottige interview herhaaldelijk in haar essay terugkomt, doet Adichie tegen het eind van haar tekst iets wonderlijks: plots wekt ze de indruk dat het haar om iets heel anders te doen is, namelijk de angstcultuur die op sociale media is ontstaan. Jonge mensen durven het achterste van hun tong niet te laten zien uit angst door hun onlinevrienden terechtgewezen te worden. Of, in de woorden van de meester: ‘Niet goedheid doet ertoe, maar de schijn van goedheid. We zijn niet langer menselijk. We zijn engelen die elkaar proberen te over-engelen. God sta ons bij. Het is obsceen.’

In een recent essay voor The New York Times (‘Why People Are So Awful Online’) doet de Amerikaanse feministische schrijver Roxane Gay een poging dezelfde ‘afrekendrang’ te duiden. Anders dan Adichie spendeert Gay alleen geen drieduizend woorden aan het publiekelijk door het slijk halen van twee, veel minder gevestigde, collega-schrijvers. De plotselinge koerswijziging in Adichies essay was dan ook niets anders dan een ‘gevaarlijke afleiding’ van de schrijver om het niet te hoeven hebben over haar werkelijke opvattingen, aldus de Amerikaanse schrijver Aja Romano op de nieuws- en opiniesite Vox.

Romano en andere critici lazen in Adichies essay de echo van ‘dat andere essay’, van Harry Potter-auteur J.K. Rowling, die bijna exact een jaar voor Adichie op zeer eloquente wijze haar aversie tegen transgender personen trachtte te rechtvaardigen, nadat zij zich op sociale media kritisch had uitgelaten over inclusief taalgebruik. Dat Rowlings essay het afgelopen jaar in verscheidene media al is gefileerd, maakt de gelijkenissen met Adichies essay des te griezeliger. Net als Adichie neemt Rowling haar lezer mee in een uiterst fraai geschreven opsomming van persoonlijke aantijgingen. En net als Adichie geeft Rowling vlak voor het eind een ruk aan het stuur, om causaliteit te suggereren waar die er niet is. Rowling onthult dat ze het slachtoffer is geweest van seksueel misbruik en geweld achter de voordeur door een cisgender (oftewel niet-transgender) man.

Die onthulling leidde terecht tot geschokte reacties: spreken over seksueel misbruik vergt moed en zou met niets dan geloof moeten worden ontvangen. Maar wat het met transgender personen te maken heeft? Rowling werpt haar misbruikervaring op als argument om transgender vrouwen uit publieke toiletten en andere vrouwenruimten te weren. Cisgender mannen met kwade bedoelingen zouden zich namelijk weleens als trans vrouw kunnen voordoen. Keer op keer is al aangetoond dat deze angst nergens op is gebaseerd; mannen die vrouwen willen aanranden, laten zich niet door een wc-bordje weerhouden.

Er is trouwens een groep voor wie openbare toiletten wel degelijk uiterst onveilig zijn: uit een representatieve enquête onder volwassen Amerikaanse transgender personen (2015) bleek dat ruim een op de negen van hen was mishandeld of aangerand op een publiek toilet en dat bijna zes op de tien publieke toiletten vermeed. 8 procent gaf aan zelfs blaas-, nier- en/of andere medische problemen te hebben opgelopen door het uitstellen van toiletbezoeken.

Het reduceren van iemands identiteit tot een arena van debat is behalve irritant ook buitengewoon ontmenselijkend. Helemaal als daarbij persoonlijke aanvallen en non-argumenten door mooischrijverij worden verdoezeld. Aan het eind van zo’n gesprek blijft niet de persoon met de beste argumenten overeind, maar de persoon voor wie het minst op het spel stond.

Zo noemde de gezaghebbende belangenorganisatie ILGA (International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association) Rowlings essay en haar herhaaldelijke Twitter-uitspattingen (tegenover 14 miljoen volgers) onlangs voorname voorbeelden van de toenemende haat jegens transgender personen in het Verenigd Koninkrijk. Uit een openhartig artikel van een trans man op Vice blijkt dat Britse transgender personen onderling zelfs bespreken hoe en waarheen te emigreren. Nieuw-Zeeland gaf een Britse trans vrouw in 2017 al verblijfsrecht op basis van humanitaire gronden; haar terugsturen naar het VK zou ‘onnodig wreed’ zijn, aldus de rechter.

De situatie in Nederland is niet heel anders. Lhbti+’ers en transgender personen in het bijzonder kampen bovengemiddeld vaak met ernstige psychische klachten als gevolg van spot, discriminatie en (fysieke) mishandeling. Maar net als in het VK doen media in Nederland onze smeekbede om basisrechten, acceptatie en veiligheid af als iets waar eens fijn over gedebatteerd mag worden. Het gevolg is een niet aflatende stroom ‘Je mag ook niets meer zeggen’-artikelen, waarin een uiterst gemarginaliseerde groep wordt weggezet als agressief, fundamentalistisch en doorgeslagen.

Neem alleen al de afgelopen Pride-week: Marcia Luyten trok in een column in de Volkskrant ten strijde tegen de ‘cancelgekte’, tegen de ‘woke dwingelandij’ en tegen ‘radicale genderactivisten’, die een ‘agressieve taalpolitie’ vormen die ‘zuiverheid afdwingt’. Zulke woorden spelen in op bestaande sentimenten van lhbti+-fobie (en niet te vergeten racisme) en schilderen mensen die letterlijk smeken om te mogen bestaan af als gewelddadig en onbetrouwbaar. Diezelfde dag publiceerde deze krant ook een nieuw lemma in het ‘Woordenboek voor woke tijden’, door een schrijver die zich in andere media uitlaat over de ‘schrikbarende bloeddorst van de transbeweging’ (HP/De Tijd), die beweert dat transgender mensen een complot smeden (idem) en die op sociale media met regelmaat transgender personen bespot. Zijn hersenspinsel van deze week: transgender personen ‘eisen’ dat anderen seks met hen hebben.

NRC dan, een krant die boven bijna elk artikel over gender een kop plaatst met het woord ‘debat’ erin. Die voelde de behoefte om een redactioneel commentaar te wijden aan wat er zoal niet deugde aan de vernieuwde regenboogvlag: die zou de valkuilen van het (jawel) ‘identiteitsdebat’ blootleggen, want hoeveel ‘identiteitsvakjes’ waren er nog nodig? Trouw recyclede ondertussen een artikel uit 2020, waarin werd beweerd dat ‘mannen in jurken’ eropuit waren vrouwen te verkrachten in openbare toiletten. Dat artikel bracht destijds veel controverse teweeg, wat Trouw nog eens scheen te willen overdoen. Ziedaar de bijdragen van de grote Nederlandse media aan wat een emanciperende week hoort te zijn.

Deze discussiedrang is niet zonder gevolgen. Toen eind vorige maand een kind, dat geen antwoord wilde geven op de vraag ‘ben je een jongen of een meisje’, zwaargewond in het ziekenhuis belandde, was mijn Twitter-bubbel (heel erg links, heel erg lhbti+) er als de kippen bij om de indirecte schuld voor de mishandeling te leggen bij de media, die kort daarvoor nog artikelen hadden gepubliceerd die haat jegens transgender personen aanwakkerden. Nou lijkt het mij onwaarschijnlijk dat de gemiddelde tiener in diens vrije tijd de opiniepagina’s doorkamt, maar het vraagt ook een flinke dosis moedwillige naïviteit te denken dat gedrukte woorden geen enkele invloed hebben op de maatschappij.

Marte Hoogenboom (1994) is schrijver en hoofdredacteur van het literair-culturele tijdschrift Hard Hoofd

Meer over