ColumnKoen Haegens

Pas op als politici in naam van ‘jongere generaties’ gaan praten

null Beeld

Ineens tellen ze weer mee. Na maanden lockdown om 65-plussers te beschermen, een avondklok die telkens verlengd wordt en scholen die moesten sluiten om nota bene de ouders thuis te houden, gaat het in de verkiezingsstrijd plotseling over de belangen van jongeren. Directeur Pieter Hasekamp van het Centraal Planbureau waarschuwde vorige week dat ‘de meeste partijen financiële lasten verschuiven naar toekomstige generaties’.

CDA-lijsttrekker Wopke Hoekstra haakte daar gretig bij aan met een sneer naar ‘beste Lilianne en linkse vrienden’. Na de staatsschuld vorig jaar met 42 miljard euro te hebben laten stijgen, spreekt de demissionaire minister van Financiën nu waarschuwende woorden: ‘We mogen de rekening niet doorschuiven naar de volgende generatie. En daar loopt het mis als ik naar jullie plannen kijk.’

De ervaring leert dat er zelden écht geluisterd wordt naar ‘jongere generaties’. In het economische debat dienen ze vooral als stok. Om op verworven rechten in te beuken. In naam van de jonge flexwerker pleitten politici, economen en andere opiniemakers twee decennia lang voor radicale hervormingen op de arbeidsmarkt. Niet door iets te doen aan tijdelijke contracten, schijnzelfstandigheid of lage lonen, maar door álle werkenden tot die onzekerheid te veroordelen.

‘Oud’ zou ook van ‘jong’ stelen door de AOW-leeftijd op 65 jaar te willen houden. Het zou krampachtig vasthouden aan het gegarandeerde aanvullende pensioen en zich tegen beter weten in verzetten tegen kortingen. Dat generatieframe klinkt lekker rebels. Naar barricades en opstand tegen de dinosaurissen. Maar het leidt de aandacht af van andere tegenstellingen. Dat werkgevers nog maar zelden pensioen bijstorten voor hun werknemers, bijvoorbeeld. Of het schandalige feit dat laagbetaalden 7 tot 8 jaar korter leven dan veelverdieners. Waarmee ‘arm’ dus het pensioen van ‘rijk’ sponsort.

Minstens zo belangrijk is dat de jongeren zelf niks lijken te hebben aan de luidkeels beleden steun voor hun zaak. Er is inmiddels een nieuw pensioenstelsel. Daarin mogen ze tot ver na hun zeventigste doorwerken voor een extreem onzeker pensioen. Weinig mensen – ongeacht geboortejaar – die dit een overwinning zullen noemen.

Dat het niet werkelijk te doen is om de positie van jongeren, blijkt wel uit de lauwe reacties als die zélf de straat op gaan. De klimaatspijbelaars kunnen erover meepraten. Meer dan de helft van de stemgerechtigde Nederlanders is 50 jaar of ouder. Die kiezers gaan bovendien vaker naar de stembus. Logisch dus dat de gemiddelde politicus zich niet zo druk maakt om mensen zonder grijze haren – tenzij ze met te veel, te dicht op elkaar in het park hangen.

En die schulden? Het zou zuur zijn als de toekomstige generaties straks nóg een coronarekening gepresenteerd krijgen. Maar een land erven dat in al zijn zuinigheid de economie kapot heeft gemaakt, de publieke sector verwaarloosde en naliet te investeren in onderwijs en onderzoek, is minstens zo beroerd.

Ooit riepen de hippies dat niemand boven de 30 te vertrouwen is. Ik zou daaraan willen toevoegen: zeker als die persoon namens jou zegt te spreken.

Meer over