OPINIE

Opinie: Werken vrouwen in Nederland echt zo weinig?

De ‘deeltijdprinsesjes’ zijn niet het probleem bij meer economische zelfstandigheid van vrouwen: we hebben eerder behoefte aan veel meer ‘deeltijdprínsen’, betoogt Julius op de Beke.

null Beeld Hollandse Hoogte / AFP
Beeld Hollandse Hoogte / AFP

Zweedse vrouwen hebben een grotere economische zelfstandigheid dan Nederlandse, zo is het algemene beeld. Dat werd maar weer eens bevestigd door Sander Schimmelpenninck in zijn artikel hierover (Maandag, 8 februari). Maar wat tot nu toe ontbreekt in het debat zijn enkele factoren die dat verschil in een heel ander perspectief plaatsen.

Zo is de constatering dat volgens Eurostat Nederlandse vrouwen voor liefst 75 procent en Zweedse vrouwen slechts voor 33 procent in deeltijd werken op zich juist. Maar dat verschil verdwijnt als je beseft dat Zweedse vrouwen die met betaald ouderschapsverlof thuis op de kinderen passen, volgens Eurostat toch fulltime buitenshuis aan het werk zijn. Het officiële criterium voor ‘aan het werk zijn’ is namelijk het arbeidscontract. Wanneer dat contract tijdens de verlofperiode niet wordt onderbroken, ben je continu aan het werk gebleven.

Nu zijn er grote verschillen tussen Nederland en Zweden in de duur van (betaald) ouderschapsverlof. Zweedse ouders hebben recht op 18 maanden betaald verlof à 80 procent van hun salaris. In Nederland hebben beide ouders recht op 26 keer het aantal uren dat ze wekelijks werken, onbetaald. Bij 32 uur per week komt dat je dan uit op 21 weken, waarvan – afhankelijk van de cao – meestal maar een beperkt aantal weken betaald wordt. Dit gigantische verschil maakt de Eurostat-cijfers onbruikbaar voor internationale vergelijking.

Zou je de betaalde thuiszorguren van de Zweedse moeders wél meerekenen, dan vind je dat Zweedse vrouwen nog vaker thuis zijn dan Nederlandse vrouwen. Temeer omdat ook Zweedse vrouwen hun zorgverlof meestal ook in deeltijd opnemen en daarnaast nog eens extra verlof krijgen als hun kind ziek is.

Bij economische zelfstandigheid hoort ook het pensioen. Als in de jaren zestig de echtscheidingscijfers oplopen, is de angst voor het mislopen van een pensioen, naast het gestegen opleidingsniveau, een belangrijke drijfveer voor Zweedse vrouwen om buitenshuis te gaan werken. In Nederland was en is die angst veel kleiner dankzij onze AOW, een welvaartsvast onvoorwaardelijk (of je gewerkt hebt of niet) pensioen, een voorziening die Zweden niet kent.

Dat die AOW een grote bijdrage levert aan de economische zelfstandigheid van Nederlandse vrouwen blijkt meteen als je de armoedecijfers van alleenstaande vrouwen boven de 65 bekijkt. Volgens de EU Survey of Income and Living Conditions zijn die in Nederland het laagst, en aanzienlijk hoger in Zweden.

Ook ik ben een groot voorstander van meer economische zelfstandigheid voor Nederlandse vrouwen. En de beste manier omdat te realiseren is inderdaad – naast betaalbare kinderopvang – langer betaald ouderschapsverlof, met een niet-overdraagbaar deel voor de vader. Een Europese richtlijn heeft minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken) ertoe gedwongen om dit per augustus 2022 ook in Nederland uit te breiden. Maar we zijn nog ver verwijderd van het Zweedse model van 18 maanden.

Omgekeerd kan Zweden ook wel wat leren van het Nederlandse deeltijdmodel. Langdurig betaald ouderschapsverlof is een dure voorziening die gefinancierd zal moeten worden uit hogere belastingen en premies. Zeker als we ook nog de kinderopvang, net als in Zweden en in reactie op de toeslagenaffaire, ‘gratis’ gaan aanbieden.

De belastingdruk ligt in Zweden veel hoger dan in Nederland met negatieve gevolgen voor de vraag naar arbeid. Juist dankzij deeltijd heeft Nederland een zeer flexibele arbeidsmarkt en zijn er veel mensen aan het werk. Vrouwen in België bijvoorbeeld werken vaker voltijds dan in Nederland, maar Nederlandse vrouwen werken in totaliteit toch meer uren dan Belgische. Volgens het CBS groeien voltijd- en deeltijdbanen langzaam naar elkaar toe omdat voltijdwerkers minder en deeltijdwerkers meer uren gaan werken.

Buitenlandse waarnemers valt op dat de deeltijdbanen in Nederland van hoge kwaliteit zijn. Zo heb je als deeltijdwerker recht op een pensioen. Er is een speciale wet die deeltijdwerkers beschermt tegen discriminatie in secondaire arbeidsvoorwaarden. Veel deeltijdbanen zijn ook carrièrebanen. Meer dan de helft van onze rechterlijke macht bestaat uit vrouwen, die meestal zo’n vier dagen per week werken. Hetzelfde zie je bij veel vrouwelijke artsen.

Al deze vrouwen zouden ook voltijds kunnen werken, maar geven toch de voorkeur aan iets meer tijd thuis om bijvoorbeeld voor kinderen te zorgen. Opvallend is dat veel moeders in deeltijd blijven werken als hun kinderen geen zorg meer behoeven. Er wordt dan ook geringschattend gesproken over de Nederlandse ‘deeltijdprinsesjes’.

Maar wat Nederland vooral nodig heeft, zijn meer ‘deeltijdprinsen’. Het grote bezwaar tegen het deeltijdmodel is dat het vooral vrouwen zijn die het gebruiken om thuis zorgtaken te verrichten. Gelukkig zie je ook hier een mentaliteitsverandering. Steeds meer jonge vaders zorgen thuis voor hun kinderen door een tijdje in deeltijd te gaan werken. De ‘papadag’ wordt steeds populairder en normaler. Nederland heeft zelfs een wet die werknemers het recht geeft om hun werkuren te verminderen vanwege de zorg voor hun kinderen. Steeds meer (vooral hoogopgeleide) mannen maken daarvan gebruik.

Volgens Unicef zijn de Nederlandse kinderen de gelukkigste van de wereld. Ook op dat terrein doet Nederland het beter dan Zweden en mij lijkt het dat, naast hagelslag, ons deeltijdmodel daar veel mee te maken heeft. Aan 18 maanden betaald ouderschapsverlof hangt een stevig prijskaartje. Toch denk ik dat dit verlof, juist in combinatie met gratis kinderopvang en deeltijdwerk voor zowel vaders als moeders, ervoor kan zorgen dat het opvoeden van kinderen voor iedereen betaalbaar blijft.

Julius op de Beke is oud-beleidsambtenaar van de Europese Commissie.

Meer over