Opinie

Opinie: Tegen leerlingen zeg ik regelmatig: ‘Dit kan ik niet voor je oplossen, ik ben geen psycholoog’

Als het tegenzit krijgen jongeren te maken met allerlei zorgspecialisten, die weer doorverwijzen naar de ggz. Terwijl een goed gesprek met de docent misschien ook kan helpen.

Albert Mark van Leeuwen
Ik schuif mijn verantwoordelijkheid af naar specialisten en onderschat de invloed van mij en van de klas Beeld ANP
Ik schuif mijn verantwoordelijkheid af naar specialisten en onderschat de invloed van mij en van de klasBeeld ANP

Ruth Peetoom, branchevoorzitter van de ggz, stelt de samenleving voor een probleem: de vraag naar jeugdpsychiatrie is met 15 procent toegenomen, aan ggz-personeel is een tekort, wachtlijsten groeien. Soms lijkt de helft van mijn leerlingen een psycholoog te hebben of er een te zoeken. Een enorme verzameling echt leed, die met geen mogelijkheid door de ggz kan worden opgevangen.

Tegen mentorleerlingen zeg ik regelmatig: ‘Dit kan ik niet voor je oplossen, ik ben geen psycholoog.’ Die uitspraak is, besef ik nu, de kern van een systeemfout. Ik schuif mijn verantwoordelijkheid af naar specialisten en onderschat de invloed van mij en de klas.

Onderzoek toont de cruciale rol die docenten en medeleerlingen spelen in het welbevinden van onze jeugd. Met een kleine aanpassing kan die rol positief en preventief zijn. In plaats van het verplaatsen van verantwoordelijkheid, moeten onderwijzers en klasgenoten vaker hun eigen mogelijkheden zien en gebruiken.

Maar drukte en specialisatiedrift staan in de weg. Leraar en leerling hebben geen tijd voor echt contact, waardoor er wordt doorverwezen naar specialisten.

Als het leven even tegenzit, krijgen leerlingen, bovenop het contact met zo’n vijftien verschillende leraren, ook nog contact met de zorgcoördinator, faalangstreductietrainer en het zorgadviesteam. Die weer doorverwijzen naar de overwerkte experts van de Jeugd-ggz. Al die zorgspecialisten moeten protocollen volgen, uren verantwoorden en behandelplannen terugkoppelen. Het gevolg: een exponentiële toename van administratie, communicatie en privacyvoorschriften; zulke zinnen zuigen alle energie uit m’n prachtige werk.

Econoom Adam Smith waarschuwde al in 1776 dat specialisatie en fragmentatie kunnen ontmenselijken. Het leidt tot geestdodende kleine stapjes in een ‘productieproces’. Zorgleerlingen praten zich, na de wachtlijst, een slag in de rondte langs intakes, diagnoses, interventies en evaluaties met steeds weer andere zorgprofessionals. Adam Smith zag de economische voordelen van specialisatie, maar wilde het welzijnsverlies compenseren met een speelplaats voor ontwikkeling in… het onderwijs. Maar kan het onderwijs dat combineren: welzijn én ontwikkeling?

Twee zelfkritische specialisten helpen ons op weg. Floortje Scheepers en Eveline Crone laten zien hoe belangrijk aandacht is, net als ruimte voor een eigen stem. Als psychiater respectievelijk neuropsycholoog kunnen ze die aandacht en ruimte niet verspreiden. U en ik kunnen dat wel, als medeburger en onderwijzer.

Floortje Scheepers schrijft in Mensen zijn ingewikkeld dat psychiatrische problemen niet aanwijsbaar met zieke of afwijkende hersenen te maken hebben. Er zit vrijwel nooit een specifiek draadje los, maar er is even geen match tussen jou en alle interacties die je met jezelf en de rest van de wereld aangaat. Het gaat in de kern om mensen die ontregeld zijn op een wijze die zijzelf, of wij als maatschappij, als problematisch ervaren.

Wetenschappelijk onderzochte medicijnen en behandelingen lukt het maar mondjesmaat om effectiever te zijn dan een simpele reeks gesprekken van mens tot mens. Aandacht en tijd blijken vaak al invloedrijke ingrediënten om met meer welzijn door te kunnen.

Met het Erasmus Sync Lab toont Eveline Crone dat ontwikkeling slechts beperkt zichtbaar wordt in hersenen. Als aanvulling schetst haar lab via allerlei enquêtes, dagboeken en fora dat persoonsvorming samenhangt met de ontmoeting van leeftijdgenoten en een platform om je stem te laten horen. Om prettig op te groeien moet je niet alleen leren, maar ook discussiëren; gehoord en gezien worden tussen leeftijdgenoten én volwassenen.

Uit al die wijsheid trek ik één les. We hebben minder specialisten nodig en meer eerstelijnsgeneralisten. Meer ‘gewone’ mensen die tijd nemen voor elkaar. Docenten, klasgenoten, ouders en buren die vragen stellen en luisteren, die je dagelijks ziet en bij wie je jezelf durft te uiten. Dat kan niet alle leed, maar wel veel leed voorkomen.

Docenten zijn geen psychologen, tegelijk mogen we niet enkel vakidioten zijn. Leraren zijn medeverantwoordelijk voor het welzijn van onze jeugd. Daarom moeten we terug naar een docent met tijd voor zijn klas. Er zijn veel te veel verschillende mensen verantwoordelijk voor elke leerling. Er is geen specialist die zijn cliënten zo vaak ziet als ik mijn leerlingen, maar ik zie er wel 150 per dag. Per week krijg ik 4 minuut 40 per leerling, onze muziekdocent 1 minuut 40.

Door personeelstekorten is meer personeel een illusie, zeker in de jeugdzorg en het onderwijs. Daarom moeten we de huidige docenten meer tijd geven met minder klassen. Dan kunnen we, met meer rust en aandacht, de veiligheid borgen waarin leerlingen zich kwetsbaar én uitgesproken op durven stellen tussen hun leeftijdgenoten. Een speelplaats voor ontwikkeling, waar je je gekend weet. Zo kunnen we veel leed voorkomen. Als een leerling er dan toch doorheen zit, is de kans groter dat we het zien en kunnen vragen: ‘Zullen we een paar keer praten? Misschien komen we samen verder.’

Albert Mark van Leeuwen is docent filosofie en maatschappijleer.

Meer over