Opinie

Opinie: Rutte zou Kaag een bijzonder voorstel moeten doen om de formatie vlot te trekken

Hoe komt de Nederlandse politiek uit de verlammende impasse? Een minderheidskabinet of nieuwe verkiezingen zijn niet aanlokkelijk. Ooit zoiets eerder gezien in de parlementaire geschiedenis? Ja, in 1948 vonden de politici een originele oplossing.

Sigrid Kaag en Mark Rutte tijdens het debat over Afghanistan (met achter hen Ank Bijleveld) op 15 september.  Beeld ANP
Sigrid Kaag en Mark Rutte tijdens het debat over Afghanistan (met achter hen Ank Bijleveld) op 15 september.Beeld ANP

Kabinetsformaties in Nederland nemen altijd veel tijd in beslag. Vier maanden is niet ongebruikelijk en zeven maanden is ook al twee keer voorgekomen (1977 en 2017). Maar nu is er iets vreemds aan de hand. Er wordt helemaal niet onderhandeld, maar uitsluitend gesproken over de vraag wie met wie zal gaan onderhandelen. Dat mag even tijd kosten natuurlijk, zeker in een politiek versnipperd landschap, maar langer dan een half jaar hiermee bezig zijn, tart toch wel elk voorstellingsvermogen.

Er bestaan vele ongeschreven regels voor een kabinetsformatie en daartoe behoort die van ‘voortvarendheid’. Kort gezegd: politici die formeren moeten niet treuzelen maar opschieten. Begrijpelijk natuurlijk, het land is niet gebaat bij een lange periode van demissionair bestuur. En verder behoort tot die regels dat ‘het landsbelang boven het partijbelang’ gaat. Ook dit is begrijpelijk, en zelfs vanzelfsprekend, want als alle partijen blijven vasthouden aan hun eigen gelijk wat betreft programma en coalitievoorkeur, dan gebeurt er niets.

Dat laatste is nu het geval. Er gebeurt niets. Beide spelregels lijken dan ook compleet te worden genegeerd. Maar wat is er in 2021 dan toch zo anders dan in voorgaande formatiejaren?

Vrouw in hoofdrol

Wat in ieder geval nooit eerder is voorgekomen in de Nederlandse parlementaire geschiedenis, is een vrouw in een hoofdrol. Nooit eerder stond een vrouw aan het hoofd van een partij die als tweede uit de verkiezingsstrijd kwam. Het dichtstbij kwamen ooit Els Borst (D66) in 1998 en Femke Halsema (GroenLinks) in 2003, toen zij als leiders van hun partij op respectievelijk de vierde en (gedeelde) vijfde plaats belandden.

Maar nu heeft D66 onder leiding van Sigrid Kaag 24 zetels behaald bij de verkiezingen van 17 maart, en daarmee een vooraanstaande plek in de formatie verworven. Zou daarin de verklaring zitten? Is het met een vrouw – met deze vrouw? – aan tafel lastiger om dingen voor elkaar te krijgen, bijvoorbeeld omdat zij tegen het ‘regelen en ritselen’ is? Weigert zij mee te doen aan voorheen gebruikelijke manieren van doen (‘Haags gedoe’)?

Maar hoe het antwoord op deze vraag ook luidt, nooit zal dat het hele verhaal zijn. Feit is immers dat maar liefst vijf van de zes ‘middenpartijen’ die in aanmerking komen voor een plek in een nieuw kabinet eisen stellen aan wie er mee mag onderhandelen. Waarom laten zij nog steeds partij- boven landsbelang gaan? Welke partijleider heeft als eerste de moed over zijn of haar schaduw heen te springen en de blokkade-eis te laten vallen? Dan zou er alsnog een parlementair meerderheidskabinet gevormd kunnen worden.

En als niemand gaat bewegen: dan maar nieuwe verkiezingen? Dat lijkt me een slecht idee. Het kost minstens drie maanden om nieuwe verkiezingen te organiseren, en dan? Dan begint er weer een nieuwe formatie. En die duurt ook weer minimaal vier maanden. Bovendien moet er rekening worden gehouden met de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2022. Om daar minstens twee maanden vandaan te zitten zouden de nieuwe verkiezingen over een week al moeten worden uitgeschreven. Dan immers kunnen ze in januari worden gehouden (en anders op zijn vroegst in mei). Hoe dan ook zal er geen nieuw kabinet aantreden vóór mei 2022. En zo lang zou dit demissionaire kabinet, dat nu al zo zwaar gehavend is, het land nog moeten besturen?

Landsbelang voorop

Nee, de politieke partijen moeten nu moed gaan tonen, het landsbelang vooropzetten en, vooral, creatief worden in het formatieproces – om daarin eindelijk weer beweging te krijgen. Ik heb een idee, ontleend aan de formatiegeschiedenis (1948). De leider van de grootste partij gaat zijn fractie leiden vanuit de Tweede Kamer, hij biedt het premierschap aan de leider van de op één na grootste partij aan, en krijgt daarvoor terug dat niet alleen CDA maar ook ChristenUnie coalitiepartner wordt. Het nieuwe kabinet bestaat dan dus uit bewindspersonen van VVD, D66, CDA en CU.

Aan dit idee zitten minstens zes voordelen: Rutte kan in de Kamer zijn ‘radicale ideeën’ voor een nieuwe bestuurscultuur in de praktijk gaan brengen, Kaag kan vanuit het Torentje laten zien wat ‘nieuw leiderschap’ werkelijk inhoudt, Gert-Jan Segers wordt beloond voor zijn open onderhandelingshouding (en handelt in lijn met zijn uitspraak van april niet opnieuw deel te nemen aan een kabinet-Rutte), er komt toch een – door alle politici geprefereerd – meerderheidskabinet, binnen een maand kan dat nieuwe kabinet er zijn, en Nederland heeft eindelijk zijn eerste vrouwelijke premier.

Carla van Baalen is directeur van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis en hoogleraar parlementaire geschiedenis, verbonden aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

Meer over