Opinie

Opinie: Ook jongeren hebben belang bij koppeling AOW aan minimumloon

De AOW dreigt af te glijden naar een bijstandsregeling als deze niet meestijgt met het minimumloon. En dat raakt veel meer Nederlanders dan vaak wordt gedacht.

Harrie Verbon
 Dagjesmensen op de Houtribdijk bij Lelystad. Beeld ANP/ Robin van Lonkhuijsen
Dagjesmensen op de Houtribdijk bij Lelystad.Beeld ANP/ Robin van Lonkhuijsen

Bijna zeventig jaar geleden ging de parlementaire discussie over een nieuw in te voeren overheidspensioen voor een groot deel om de vraag of die nieuwe regeling een volksverzekering of een sociale voorziening zou moeten worden. Bij een sociale voorziening kan de regeling zich specifiek richten op mensen zonder voldoende middelen van bestaan, de bijstand is daar een voorbeeld van. Dat heeft als voordeel dat de overheid geen geld hoeft te spenderen aan mensen die zich prima kunnen redden. Het nadeel, echter, is dat als veel mensen worden buitengesloten, de steun voor zo’n regeling niet al te groot zal zijn.

Dat laatste gaf de doorslag: het parlement wilde een overheidspensioen voor iedereen. Zo kregen we in 1956 de Algemene Ouderdomswet, oorspronkelijk bedoeld voor arme ouderen die niet meer in staat waren om te werken, maar die toch een volksverzekering werd (vandaar de A in AOW). De uitkering was op minimumniveau, maar er leefde in het parlement ook het idee dat de AOW ooit niet meer nodig zou zijn, namelijk als iedereen een eigen pensioen zou hebben opgebouwd.

Toen kwamen de jaren zestig met de loongolven van de hoogconjunctuur en bleken de AOW en andere minimumuitkeringen steeds verder achterop te raken. Dat was de aanleiding voor de ‘koppeling’ die begin jaren zeventig werd ingevoerd. Het idee was eenvoudigweg dat het minimumloon de gemiddelde loonstijging zou volgen en dat de minimumregelingen, waaronder de AOW, het minimumloon zouden volgen. De AOW zou daarmee, tot in lengte van dagen, welvaartsvast zijn.

Werkloosheid

Maar toen kwamen de jaren tachtig met stijgende werkloosheid en een explosieve stijging van de kosten van de Wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO). Het gevolg was dat het parlement de koppeling de facto buiten gebruik stelde. De AOW en andere minimumregelingen kwamen op achterstand. Voor de overheid was dat goed nieuws, want hoewel het aantal ontvangers voortdurend toenam, daalden de AOW-uitgaven als percentage van het nationaal inkomen tot in deze eeuw.

In de jaren nul begon het Centraal Planbureau (CPB) berekeningen over de houdbaarheid van de AOW te publiceren. Door de vergrijzing zou deze leiden tot torenhoge belastingen of een exploderende overheidsschuld. Hierbij nam het CPB aan dat de regeling welvaartsvast zou zijn, eraan voorbijgaand dat dit beleid meestal niet – zie boven – werd uitgevoerd. Desondanks waren de berekeningen voldoende aanleiding om de AOW-leeftijd te verhogen. Ieder jaar kruipt deze omhoog, om uiteindelijk op 69,5 jaar uit te komen.

Zo wordt dus met het excuus dat de AOW welvaartsvast is, de bescherming die de AOW aan de laagstbetaalden bood, langzaam uitgehold. Wat dit betekent voor de mensen voor wie deze uiteindelijk was bedoeld, laat zich raden. Uit onderzoek blijkt dat door de verhoging van de AOW-leeftijd de laagstbetaalden langer moeten doorwerken en minder lang van hun pensioen kunnen genieten dan hoge inkomens.

Rekening van 2 miljard

Het kabinet wil nu een eenmalige verhoging van het minimumloon niet door laten werken in de AOW. Sheila Sitalsing vindt dat prima, zo betoogt ze in haar column. Waarom moet je jongeren een rekening van 2 miljard euro laten betalen, vraagt zij retorisch. Arme ouderen kunnen volgens haar ook met specifieke maatregelen geholpen worden.

Maar daarmee glijdt de AOW verder af naar een regeling op bijstandsniveau waar het parlement bij aanvang juist níét voor had gekozen. Het motief er alsnog een sociale voorziening van te maken, is volgens Sitalsing dat het toch maar om 88 duizend ‘arme’ (haar aanhalingstekens) gepensioneerden gaat. Dat schrijft zij op gezag van CBS-econoom Pieter Hein van Mulligen. Toevallig publiceerde het CBS afgelopen week ook een overzicht van het aantal mensen dat geen aanvullend pensioen bij hun werkgever opbouwt. Dat blijken er bijna één miljoen te zijn, onder wie zo’n 400 duizend mensen met een laag huishoudinkomen.

Ik zou die 400 duizend mensen aanraden niet mee te doen met de ‘jongerenrevolte’ tegen de koppeling van de AOW die Sitalsing min of meer propageert. Zij kunnen wel eens met lege handen komen te staan als zij de AOW-leeftijd bereiken.

Harrie Verbon is em. hoogleraar openbare financiën aan de Universiteit van Tilburg

Meer over