Opinie

Opinie: Nederlandse betrokkenheid bij slavernij begon al in de Indonesische archipel

De ontvolking van Banda door de VOC was onderdeel van een structurele bereidheid tot deportatie en massamoord. Dit verdient meer aandacht, betoogt Matthias van Rossum.

Het eiland Banda Neira, op een schilderij van Josias Cornelis Rappard (1824-1898). Beeld HH / Koninklijk Instituut voor de Tropen
Het eiland Banda Neira, op een schilderij van Josias Cornelis Rappard (1824-1898).Beeld HH / Koninklijk Instituut voor de Tropen

Op 8 mei 1621, dit jaar dus vierhonderd jaar geleden, werden op Banda Neira in het fort Nassau 44 Bandanezen onthoofd door de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Het ging om ‘orangkajas’, leiders van de Bandanese gemeenschap, die zich met de bevolking verzetten tegen de Nederlandse invasie van het eiland Lontor sinds maart 1621. Acht van hen werden eerst levend gevierendeeld door Japanse VOC-soldaten. De hoofden werden op staken gezet.

De uitvoering van de straffen was zo gruwelijk dat tijdgenoten schreven dat dit ‘een Christenmens onwaardige vertoning’ was. Maar het bleef niet bij deze gruwelijke straffen. In de weken die volgden werden de Banda-eilanden met bruut geweld veroverd en ontvolkt. Het grootste deel van de naar schatting 10 duizend tot 15 duizend inwoners werd vermoord. Enkele honderden werden als slaafgemaakten naar Batavia weggevoerd. Slechts een klein deel wist te ontkomen.

Deze gruwelijkheden zijn nu precies vierhonderd jaar geleden, maar lijken aan het Nederland van nu in stilte voorbij te gaan. Dat is opvallend. De stiltes rond het Atlantische slavernijverleden en het Nederlandse geweld in de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd zijn afgelopen jaren steeds verder doorbroken, maar veel donkere kanten van het Nederlandse verleden blijven nog omhuld met stilte. Naar aanleiding van de gruwelijkheden op Banda nu precies vierhonderd jaar geleden zijn drie belangrijke kanttekeningen bij de huidige omgang met het Nederlandse koloniale verleden te plaatsen.

Gruwelijk

Allereerst maakt de gruwelijke geschiedenis van Banda duidelijk dat de Nederlandse geschiedenis van slavernij en slavenhandel zich niet beperkt tot de Atlantische Oceaan, maar zich via de VOC uitstrekt tot de Indische Oceaan en de Indonesische archipel. Door de toegenomen aandacht voor dit ‘andere’ slavernijverleden lijkt dit misschien evident. Toch is dit bredere perspectief in Nederland nauwelijks nog echt doorgedrongen. Later dit jaar is het Rijksmuseum met zijn tijdelijke slavernijtentoonstelling het eerste museum dat ook de Nederlands-Aziatische slavernijgeschiedenis behandelde. Maar intussen dreigt het initiatief van de gemeente Amsterdam voor een toekomstig (nationaal) slavernijmuseum alweer ouderwets vanuit een Atlantisch perspectief te vertrekken.

De gruwelijkheden die vierhonderd jaar geleden onder Jan Pieterszoon Coen plaatsvonden op de Banda-eilanden vertellen een duidelijke boodschap. Het Nederlands-Aziatische slavernij is een niet weg te denken deel van de koloniale geschiedenis: in totaal werden naar schatting 660 duizend tot 1,1 miljoen slaafgemaakten naar VOC-gebieden vervoerd. Maar wat minstens zo belangrijk is: de VOC stond met haar optreden in Azië aan het begin van de grootschalige ­Nederlandse betrokkenheid bij slavernij en slavenhandel.

Plantages

Dus nog voor de verovering van Brazilië en voordat de Nederlandse deelname aan de Atlantische slavenhandel echt op gang zou komen, liet de VOC de veroverde en ontvolkte Banda-eilanden al opdelen in plantages (‘perken’) en voorzag zij de daarop aangestelde planters van slaafgemaakten. De VOC stuurde schepen naar Madagaskar, Bali, ­Timor en Zuid-India om grootschalige slavenhandel op te zetten. Met het koninkrijk Arakan (in hedendaags Myanmar) werd al snel een contract gesloten om jaarlijks duizenden slaafgemaakten in te kopen en te verplaatsen naar onder meer Banda, Batavia en later ook Formosa (hedendaags Taiwan).

Ten tweede maakt deze geschiedenis van Banda duidelijk dat we slavernij en slavenhandel niet kunnen begrijpen zonder ook oog te hebben voor de veel bredere vergeten duistere kanten van het Nederlandse koloniale verleden waar deze gruwelijkheden deel van uitmaken. Grootschalig oorlogs- en veroveringsgeweld waren daarin een constante. Dat was het geval onder de VOC, maar ook in de Atlantische wereld en het latere Nederlands-­Indië. De recente aandacht voor het koloniaal geweld in de periode 1945-1950 is dus van groot belang, maar staat nog teveel op zichzelf. Het wordt tijd om juist de lange lijnen van het Nederlandse koloniale gewelddadige optreden te zien en begrijpen – van Banda tot Atjeh en de onafhankelijkheidsoorlog.

Tegelijkertijd zijn binnen deze lange lijnen van terugkerend structureel koloniaal geweld relatief onderbelichte aspecten te vinden die zo mogelijk nog duisterder zijn. De ontvolking van Banda in 1621 was geen toeval, maar onderdeel van een structurele bereidheid in het Nederlandse koloniale verleden om tot deportatie, massamoord en ontvolking over te gaan. In de vijftien jaar voorafgaand aan de ontvolking van Banda was hiertoe herhaaldelijk opgeroepen door hoge VOC-dienaren overzee en bewindhebbers in de Republiek.

Genocidale denkbeelden

Dergelijk genocidale denkbeelden en optredens beperkten zich niet tot het optreden tegenover de Banda-bevolking. Alleen al in deze vroege VOC-periode vinden we in 1616 de deportatie van de bevolking van het eiland Siau (zuidelijk van de Filipijnen). En in 1636 werd het eiland Liuqiu (nabij Taiwan) ontvolkt. De 1.200 inwoners werden vermoord en de overlevenden gedeporteerd en tot slaaf gemaakt. Historisch onderzoek staat nog maar aan het begin om deze ontvolkingen en deportaties in kaart te brengen, en de gevolgen, doorwerking en betekenis te duiden voor Nederland en andere betrokken landen.

Ten derde laat vierhonderd jaar Banda zien dat het actuele vraagstuk niet alleen is of excuses aangeboden moet worden. Het vraagstuk is eerder hoe we deze donkere kanten van het Nederlandse verleden beter kunnen begrijpen en verwerken. Hier ligt primair een taak voor de politiek, maar tegelijk ook voor de erfgoed- en onderwijssector. Dat excuses daarin een rol spelen is evident. Net als meer geld voor onderzoek en onderwijs.

Maar Banda herinnert ons vooral eraan dat het Nederlandse slavernijverleden wereldwijd was. En dat deze slavernij deel was van een breder spectrum van koloniale wandaden – van deportaties en ontvolkingen, maar bijvoorbeeld ook het cultuurstelsel. Het is tijd om deze onderbelichte schaduwzijde van het Nederlandse koloniaal verleden in de meest brede zin bespreekbaar te maken en een plaats te geven.

Matthias van Rossum is senior onderzoeker bij het Internationaal Instituut voor Sociale ­Geschiedenis.