Opinie

Opinie: Kerkbesturen die gelovigen samenproppen in kerken zijn weldegelijk te vervolgen

Godsdienstvrijheid is geen vrijbrief om strafbare feiten te plegen, betoogt strafrechtadvocaat Gerard Spong.

Kerkgangers betreden de Sionkerk in Urk.  Beeld ANP
Kerkgangers betreden de Sionkerk in Urk.Beeld ANP

In de Volkskrant van dinsdag 30 maart jl. verscheen een artikel onder de kop ‘Waarom handhaaft de politie niet bij de kerken op Urk en in Krimpen aan den IJssel?’

Gewezen werd hierbij op de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 ofwel de Coronawet, op grond waarvan de aanwezigheid van maximaal dertig personen op religieuze bijeenkomsten toelaatbaar wordt geacht. De vraag rijst niettemin of vanwege deze wetgeving iedere vorm van rechtshandhaving tot een wassen neus is geworden? Voor het antwoord moet in aanmerking worden genomen dat de coronawetgeving alleen voorziet in bestuurlijke handhaving van de coronawet.

Er zijn evenwel meer wetten in ons land die gehandhaafd dienen te worden. Zoals een moord gepleegd in een kerk tot strafrechtelijke handhaving leidt, zo kan de strafwet voor ontuchtige handelingen van priesters in de kerk en/of mishandeling in de kerk evenzeer gehandhaafd worden.

Diezelfde strafwet houdt nu in dat met mishandeling opzettelijke benadeling van de gezondheid gelijkgesteld wordt. Dit betekent dat een voltallig kerkbestuur inclusief de vrome dominee strafrechtelijk kan worden vervolgd wegens mishandeling indien zij te veel gelovigen samenproppen in hun kerk. Want één ding is wel zeker, en dat is dat te veel zielen in een beperkte ruimte inmiddels wegens covid-19 nagenoeg levensgevaarlijk is.

De strafwet houdt dus niet op te gelden bij de deuren van de kerk. Ook het bewijs van opzet zal in dit geval niet veel problemen opleveren. Door de massale publiciteit over uitpuilende ziekenhuizen en sterftecijfers op de intensive care-afdelingen wordt door de betrokken kerkbestuurders danook bewust de aanmerkelijke kans op een covid-19 besmetting en bijgevolg een benadeling van de gezondheid aanvaard. Voorwaardelijk opzet heet dat.

Het ergerlijke van deze situatie is ook nog dat justitie wel een burger voor een simpele overtreding van een coronaregel voor de rechter sleept, maar een kerkbestuur buiten schot laat. Dit levert een sterk staaltje van discriminatoire rechtshandhaving op.

Indien de betrokken kerkbesturen blijven voortgaan in dit strafbare toelatingsbeleid, en aldus voortgaan in het plegen van het misdrijf mishandeling, dan lijkt de conclusie onontkoombaar dat deze kerken een criminele organisatie zijn. Hieraan doet niet af dat bestuursrechtelijk gezien maximaal dertig gelovigen in een kerk toelaatbaar wordt geacht. Het strafrecht blijft onverminderd in de kerk van kracht.

In de rechtspraak is verder aanvaard dat een gestructureerd samenwerkingsverband – hieronder valt ontegenzeggelijk een kerkbestuur – die het oogmerk tot het plegen van misdrijven heeft een criminele organisatie in de zin van de strafwet oplevert.

De wetgever heeft hierbij het begrip ‘misdrijven’ in geen enkel opzicht beperkt. Niet ten onrechte vreesde zij dat de ruime bepaling tot tal van moeilijkheden aanleiding zou geven.

Welnu, het zieleheil van een aantal gelovigen blijkt inderdaad uit oogpunt van rechtshandhaving een moeilijke, delicate kwestie. Een overheid die verzuimt tot strafrechtelijke vervolging van kerkbestuurders over te gaan, uit een soort van misplaatst gedoogbeleid ten aanzien van het grondwettelijk gewaarborgde recht op vrijheid van godsdienst, miskent dat deze vrijheid geen vrijbrief behelst om strafbare feiten te plegen.

Gerard Spong is strafrechtadvocaat

Meer over