Opinie

Opinie: Kabinet moet vrijwilligersorganisaties volwaardige rol aan tafel geven

Het nieuwe kabinet mag zich niet rijk rekenen door te veel op het bordje van vrijwilligers te leggen. Daarom moeten zij meer betrokken worden bij het beleid.

Gerald van den Berghe
Vrijwilliger kalkt de lijnen bij voetbalvereniging VV Reutum. 
 Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant
Vrijwilliger kalkt de lijnen bij voetbalvereniging VV Reutum.Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Vrijwilligerswerk is voor het individu en onze maatschappij noodzakelijk en wenselijk, maar wordt politiek en beleidsmatig miskend. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) berekende dat 44 procent van de Nederlandse burgers van 15 jaar of ouder zich in 2020 minstens één keer per jaar als vrijwilliger heeft ingezet. Gemiddeld besteedden zij meer dan tweehonderd uur per jaar aan hun vrijwilligerswerk. Ze zetten zich bijvoorbeeld in voor sportverenigingen, scholen, jeugdwerk, verzorging en levensbeschouwelijke organisaties. Dat is veel energie, onbezoldigd of in ieder geval zonder marktconforme vergoeding, waarmee ook veel maatschappelijke problemen aangepakt worden.

Het doen van vrijwilligerswerk dient verschillende doelen. Het biedt hulp aan de ander, het geeft zingeving, het draagt waarden en normen over en/of compenseert voor iets dat men niet heeft. Ongeacht de reden, het is individueel en maatschappelijk waardevol en moet worden gekoesterd.

Maar nu het nieuwe kabinet een aantal maatschappelijke vraagstukken - variërend van volksgezondheid, klimaat, energietransitie en veiligheid tot onderwijs - tegelijkertijd moet gaan oppakken, is het raadzaam om de bijdrage van vrijwilligerswerk veel bewuster te betrekken bij beleidskeuzes. Met name moeten we ons afvragen of bepaalde maatschappelijke basisvoorzieningen wel zo moeten leunen op (de huidige vorm van) dat vrijwilligerswerk.

Belangrijke rol

Uit het coalitieakkoord wordt duidelijk dat de politieke partijen vrijwilligerswerk en zelfredzaamheid van burgers een belangrijke rol blijven toedichten. Zo staat in de inleiding: ‘We willen ons richten op concrete verbeteringen in het leven van mensen. Nederlanders willen dat de overheid betrouwbaar is en levert. Dan hebben burgers de ruimte om samen met familie, vrienden, collega’s en vrijwilligers bij een vereniging in de buurt betekenis aan hun leven te geven. Dat is een samenleving waarin de overheid mensen in staat stelt samen de schouders eronder te zetten.’

Dat de politiek en de uitvoerende overheid niet alles kunnen oplossen en ook een appèl doen op de zelfredzaamheid van Nederlanders, is niet onlogisch. Het is zelfs wenselijk. Maar de vraag is of dat appèl niet ook is ingegeven door een gebrek aan politieke keuzes en gereedheid aan overheidszijde - of nog breder, door weeffouten in ons systeem van samenleven.

Is het bijvoorbeeld logisch dat we voor de basisvoorzieningen waarvoor een overheid is opgericht (op dezelfde wijze) blijven leunen op die zelfredzaamheid en vrijwillige bijdragen? Denk aan de vele ouders die bijspringen op scholen, aan voedselbanken, slachtofferhulp, jeugdzorg, de politievrijwilligers, de mantelzorgers die zorgtaken overnemen of de brandweer, evenals vrijwillige inzet van burgers om de pandemie aan te pakken.

Te rooskleurig

Het is cruciaal deze vrijwillige bijdragen structureel bij beleidskeuzes te betrekken. Gebeurt dit niet, dan maken we keuzes op basis van een vertekend maatschappelijk beeld, met bijpassende risico’s. We gaan dan namelijk uit van een te rooskleurig beeld van zowel de kosten als het personeelstekort in zorg, onderwijs en veiligheid, met als potentieel gevolg minder inzet voor het scholen, werven en behouden van mensen voor essentiële beroepen. We denken dan dat de armoede in Nederland meevalt, terwijl menig Nederlander alleen het hoofd boven water houdt door de steun van anderen - bij gebrek aan een ondersteunende overheid.

De politiek verwacht van de burger een bijdrage, maar die burger mag op zijn beurt verwachten dat de overheid zorg draagt voor goed functionerende basisvoorzieningen. Dat vereist een goede afweging van mogelijkheden en middelen door de politiek, samen met maatschappelijke partners, waarbij het vrijwillige karakter en de onzekere invulling van vrijwilligerswerk altijd in het oog wordt gehouden. Zeker nu de vergrijzing doorgaat, de arbeidsmarkt op veel terreinen krap is en de arbeidsmigratie (tot dusver) beperkt blijft.

Dit vereist ook het systematisch betrekken van de (on)mogelijkheden van vrijwilligerswerk bij de door de coalitie voorgestelde uitvoeringstoetsen voor nieuwe wetgevings- en beleidsvoorstellen. Dat betekent dat relevante vrijwilligersorganisaties ook systematisch bij de beoordeling van die voorstellen moeten worden betrokken. Het vereist daarnaast dat instanties voldoende structurele middelen krijgen, zodat vrijwilligerswerk niet de stoplap wordt voor bijvoorbeeld lokale overheden en instanties voor de begeleiding van kwetsbare personen of de inburgering van kansrijke asielzoekers. Alleen in dat geval kunnen de ambities van het nieuwe kabinet op verantwoorde en duurzame wijze worden gerealiseerd.

Gerald van den Berghe is bestuurskundige bij de overheid. Hij schrijft dit stuk op persoonlijke titel.

Meer over