Opinie

Opinie: Juist progressieve partijen zouden sceptisch moeten zijn over het identiteitsactivisme van Van Engelshoven

Het geloof in groepsidentiteiten bewijst lippendienst aan sociale klasse: dat is gewoon één van vele identiteitsaspecten. Maar wie ziet hoe groot de kloof is tussen hoog- en laagopgeleiden, beseft dat het identiteitsactivisme van minister Van Engelshoven olie op het vuur is.

Joris Roelofs
Kimberlé Crenshaw tijdens een protestmars in Los Angeles, 2018. Beeld Getty Images
Kimberlé Crenshaw tijdens een protestmars in Los Angeles, 2018.Beeld Getty Images

Terecht wierp Elma Drayer de vraag op in de Volkskrant wie er nu precies is geholpen met het woke identiteitsactivisme. In het Magazine schreef de activistische wetenschapper Judi Mesman een dag later aan twijfelende ouders dat ze hun witte dochter, die een Afro-Amerikaanse haarstijl wilde dragen, moesten uitleggen wat ‘culturele toe-eigening’ is. Volgens Mesman leidt een ‘kleurenblinde opvoeding’ namelijk tot het ontkennen van ‘racisme en ongelijkheid tussen groepen’ en staat het een ‘inclusieve samenleving’ in de weg. Andere lezers, onder wie moeders van kleur, juichten de wens van de witte dochter juist toe.

Mesman, die zegt te lobbyen voor inclusief beleid bij het ministerie van OCW en de NWO, is door demissionair minister Van Engelshoven (OCW, D66) benoemd als lid van de adviescommissie voor het Nationaal Actieplan voor Diversiteit en Inclusie. Afgelopen vrijdag beantwoordde de minister Kamervragen over dat Actieplan, met name over haar ‘intersectionele benadering’ van diversiteit. De minister pleit al sinds langere tijd voor intersectionaliteit, waarmee ze haar diversiteitsbeleid baseert op een theorie die ten grondslag ligt aan het woke identiteitsactivisme – en die nauwelijks oog heeft voor sociaal-economische achterstelling. Juist progressieve partijen zouden vraagtekens moeten zetten bij het geloof dat intersectionaliteit tot een inclusievere samenleving kan leiden.

Amerikaanse antidiscriminatiewetgeving

Wat is het doel van de intersectionele benadering? De term intersectionality is in 1989 ontwikkeld door de Amerikaanse rechtsgeleerde en oprichter van critical race theory Kimberlé Crenshaw. Zij wees op een lacune in de Amerikaanse antidiscriminatiewetgeving, die niet effectief was voor de kruising (intersectie) van racisme én seksisme die zwarte vrouwen ervoeren. Daarmee had zij een goed punt. Intersectionaliteit kan het inzicht vergroten in het samenspel van factoren waardoor mensen uitgesloten kunnen worden. Dit is dan ook hoe minister Van Engelshoven de intersectionele benadering richting de Tweede Kamer legitimeert.

Maar daarmee laat de minister iets cruciaals weg: in een essay uit 1991 pleit Crenshaw expliciet voor identiteitspolitiek, in combinatie met het postmoderne denken in machtsstructuren. Hier wijst Crenshaw het individualisme en universalisme af en stelt zij de groepsidentiteiten centraal. Sommige groepsidentiteiten zijn omringd met macht, stelt Crenshaw, waardoor andere groepsidentiteiten worden onderdrukt. Hier komt het activistische idee vandaan dat witheid, mannelijkheid en heteronormativiteit onzichtbare systemen zijn van macht en privilege, die mensen van kleur, vrouwen en lhbti’ers systematisch onderdrukken.

‘Kunst, foto’s en namen van gebouwen’

Precies dit essay is onderdeel van de ‘aanbevolen literatuur’ uit de nieuwste handreiking van de minister, bedoeld om hogeronderwijsinstellingen ideeën te geven voor hun diversiteitsbeleid. De handreiking suggereert onder andere om ‘vakken over intersectionaliteit’ in het curriculum op te nemen en om de ‘fysieke omgeving’ te controleren op ‘kunst, foto’s en namen van gebouwen’. De auteurs uit de aanbevolen literatuur nemen de intersectionele ideologie aan als absolute waarheid: zonder onderbouwing spreken ze van ‘machtsrelaties’, ‘dominante groep’ en ‘niet-dominante groep’, puur gebaseerd op onveranderlijke identiteitsaspecten zoals huidskleur, gender en seksuele voorkeur.

De intersectionele benadering van de minister geeft dus niet alleen inzicht in discriminatie, maar komt neer op het verspreiden van een ideologisch wereldbeeld over macht en identiteit, waar het woke identiteitsactivisme op is gestoeld. Volgens Judi Mesman is dat juist goed, omdat identiteitsactivisten opkomen voor ‘de belangen van mensen die achtergesteld worden’. Maar is dat eigenlijk wel zo?

Woke

Het is goed en belangrijk dat woke identiteitsactivisten zich solidair verklaren met kwetsbare groepen en dat zij uitingen van racisme en discriminatie verwerpen. Maar het is problematisch dat zij die uitingen slechts zien als de meest evidente symptomen van een onzichtbaar systeem van macht en privilege. Hun strijd tegen onrecht en voor ‘inclusie’ slaat om in een culturele strijd waarin humor, opiniestukken, kunstwerken, kinderliedjes, kinderboeken en taalgebruik worden gescand op ‘heersende ideologieën’ die op subtiele wijze de onderdrukkende macht van de ‘dominante groep’ in stand zouden houden.

Wie echt woke is kan zelfs ‘westerse rationaliteit’ en de wetenschappelijke methode bestempelen als onderdrukkende machtsconstructen die in dienst staan van witte heteromannen. Alleen een ‘grote cultuuromslag’ en een ‘doorbraak van de mannelijke hetero cisgender-norm’ kan volstaan, zoals een andere intersectionele handreiking van de minister ons leert.

Muziek in de oren van ceo’s

Terwijl de activistische schreeuw voor een cultuuromslag de populistische boodschap in de kaart speelt (‘links pakt onze identiteit af’), botert deze goed met de wens om de economische norm aan te houden. Ieder die een economische systeemverandering wil vermijden, zal het intersectionele geloof willen verspreiden dat iemands maatschappelijke positie in de eerste plaats wordt bepaald door gender, etniciteit of seksuele geaardheid, en niet door armoede of opleidingsniveau van de ouders.

Dat het binnen ontwaakte kringen als ketterij geldt om te stellen dat de aandacht voor identiteit afleidt van sociaal-economische achterstelling, klinkt menig ceo als muziek in de oren. Een diversere organisatie die ‘inclusief’ denkt is goedkoop én moreel correct. Het verbaast niet dat de Code Diversiteit & Inclusie voor de cultuursector, mede opgesteld door het ministerie van OCW en doordesemd met intersectionaliteit, diversiteit koppelt aan ‘zakelijk voordeel,’ een ‘noodzakelijke stap’ om ‘aantrekkelijk en relevant te blijven’.

De intersectionele ideologie verwaarloost het klassiek-linkse thema van economische onderdrukking van de arbeidersklasse en het universele ideaal van gelijke kansen en rechten voor iedereen, zonder welke de emancipatiebewegingen ondenkbaar waren. Intersectionaliteit bewijst een lippendienst aan sociale klasse, door haar te reduceren tot een van vele identiteitsaspecten, in plaats van als grote gemene deler van mensen met álle identiteitskruisingen. De overtuiging dat achterstelling en ongelijkheid in de eerste plaats worden veroorzaakt door verborgen machtssystemen, onbewuste vooroordelen en ‘koloniale’ curricula, is vooral populair binnen de bubbel van een kansrijke, links-progressief stemmende bovenlaag.

Eén geprivilegieerde, hoogopgeleide stem

Dus, wie is er nu precies geholpen met het woke identiteitsactivisme? Het is naïef om te geloven dat de intersectionele ideologie van diversiteit ‘de stemmen’ van kwetsbaren vertegenwoordigt. Zij vertegenwoordigt één geprivilegieerde, hoogopgeleide stem die de zuivere opvatting van rechtvaardigheid bepaalt. Wie de kritiek op intersectionaliteit bestudeert van de progressieve Britse schrijver Helen Pluckrose, realiseert zich dat de intersectionele aanpak juist in de weg staat van rechtvaardigheid. Pluckrose, die bekend werd met de Grievance studies affair, pleit voor diversiteitsbeleid met diversiteit van ideeën. De handreikingen van de minister doen sterk vermoeden dat juist die diversiteit binnen haar poel van adviseurs niet op orde is: iedereen lijkt overtuigd van hetzelfde idee.

GroenLinks, D66 en PvdA zijn zeer enthousiast over de intersectionele benadering van de minister. Maar wie zich realiseert hoe groot de kloof is tussen hoog- en laagopgeleiden, ziet dat het identiteitsactivisme van de minister olie op het vuur is, waardoor het bestaande onbehagen van de minder geprivilegieerden verder groeit. Waardoor de overheid voor velen nog onzichtbaarder wordt en waardoor populistisch-rechts aanhangers zal vinden voor hún identiteitsactivisme. Het wordt tijd dat we elkaar daarvoor wakker schudden.

Joris Roelofs werkt aan een dissertatie over vrijheid en improvisatie bij Hannah Arendt en Friedrich Nietzsche.

Meer over