Opinie

Opinie: In onze onnozelheid verwijten wij de Nederlandse soldaten in Srebrenica lulletjes rozenwater te zijn geweest

Hoe terecht is het verwijt dat Karremans en de Dutchbatters Mladic maar zijn gang lieten gaan? Het toont hoezeer we het element ‘ploeteren’ uit ons morele leven hebben verwijderd, meent Matija Lujic.

Mladic (links) en Karremans (derde van links) op 12 juli 1995, een dag na de val van Srebrenica.  Beeld AVALA/SIPA
Mladic (links) en Karremans (derde van links) op 12 juli 1995, een dag na de val van Srebrenica.Beeld AVALA/SIPA

Ik moet zo’n 10 jaar oud zijn geweest toen ik thuis uit opvoedkundige overwegingen voor de buis werd gezet om de ontmoeting tussen Karremans en Mladic te bekijken. Ieder jaar, rond de tiende juli, kwamen de beelden opnieuw voorbij. En iedere keer werd ik voor de tv gepositioneerd. Om te leren hoe je niet moest zijn, wie je niet moest worden, in het leven. ‘Goed kijken’, zei mijn vader altijd, ‘naar beide mannen’.

Dat ik naar Karremans moest kijken, was niet om de slechtheid van Mladic ook maar enigszins te relativeren. Het was om mij erop te wijzen dat het kwaad ook minder overduidelijke vormen kan aannemen. Niet altijd vloekt en tiert het kwaad, en stoomt het uit de oren; soms staat het er gewoon maar wat bij, is het inschikkelijk en zachtaardig.

Snoeiharde kritiek

Dat is wat men de Dutchbatters verwijt: dat ze er eigenlijk maar wat bij stonden. Snoeiharde kritiek in de kranten, geridiculiseerd op tv en in het dagelijkse leven, bedreigingen: in de ruim 26 jaren na de genocide in Srebrenica is de toorn van Nederland in allerlei vormen op Karremans en de zijnen neergedaald. Ze waren te zacht en te passief, vinden we. We wilden meer opofferingsgezindheid en solidariteit, elan en moed zien in het aangezicht van de wreedheden. We verlangden helden, maar hadden lulletje rozenwaters uitgezonden.

Maar hoe terecht is dit verwijt? En weten we wel wat we verlangden?

Wanneer wij vandaag de dag woorden als moed, deugd of karakter in de mond nemen, gebruiken wij een taal waarvan we de grammatica allang zijn vergeten. Die grammatica is eigenlijk vrij simpel en bestaat uit drie elementen: er is de mens zoals hij is; er is de mens zoals hij zou moeten zijn; en er is de weg die van de ene naar de andere leidt.

Hoe legt men die weg af? Niet door een spandoek met een verheven boodschap in de lucht te steken, maar door de langzame cultivering van karaktereigenschappen. Door het oefenen en eindeloos herhalen van goede gewoonten, van deugden, zodat deze erin slijten en een tweede natuur worden.

Strijd aangaan

De boodschap is: wees vooral niet lekker jezelf, maar ga de strijd aan met je innerer Schweinehund, zoals de Duitsers zo plomp maar treffend zeggen. De morele grammatica die zegt dat er een mens is zoals die behoort te zijn, en dat er ook nog eens werk aan de winkel is om die mens te worden, is moeilijk te verkopen in een tijd die geregeerd wordt door het bevel ‘Wees jezelf!’.

Oefening, strijd, eindeloze herhaling: het zijn concepten die we ons alleen nog laten toeschreeuwen in de sportschool. Kunnen we het niet ergens downloaden, die deugdzaamheid? Alle juiste zienswijzen in één zipbestand? Een app misschien, die ons pushberichten stuurt met dagelijkse updates? ‘Ons geloof in de verpakking is een tweede natuur geworden’, zei Komrij over de ’68’ers die stoere idealen verkondigden, maar van binnen wittebroodskindertjes bleken. Moraliteit, vandaag de dag, is vooral snel, gemakkelijk en een affaire van de buitenkant.

‘Met een afgrijselijk soort onnozelheid’, beklaagde C.S. Lewis zich in De afschaffing van de mens, ‘verwijderen wij een orgaan en verlangen dan de verrichtingen daarvan. […] Wij maken mensen zonder hart en verwachten dan deugd en dadendrang.’

Het morele leven

Met eenzelfde onnozelheid verwijten wij de Nederlandse soldaten in Srebrenica lulletjes te zijn geweest, maar vergeten ons af te vragen of water wel naar rozen hoort te smaken. Als onze notie van het morele leven niets meer heeft van het element van ploeteren en de oude mens afleggen, moeten we niet verbaasd staan te kijken als ook onze militairen weinig heldhaftig blijken te zijn.

Uit de Bergrede: ‘Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven.’

Mocht u een dezer dagen de beelden van Mladic en Karremans tegenkomen op het scherm, kijk dan goed naar beide mannen en houd in gedachten dat de Bergrede niet spreekt over zachten, of zachtaardigen, maar over zachtmoedigen. Dat is een vertaling van het Griekse woord praotes, een deugd die het midden houdt tussen twee kwaden: tussen een uit de oren stomende woede en een passiviteit die niet in staat is tot een confrontatie met die woede.

Matija Lujic is jurist en werkt als fellow bij de Zeit Stiftung. Hij kwam als kind met zijn familie in de jaren negentig naar Nederland vanuit Bosnië-Herzegovina.

Meer over