opinie

Opinie: In literatuuronderwijs is weinig ruimte voor gesprek over stereotypen. Ook ‘pulp’ kun je met je leerlingen ontleden

Er onderscheiden zich twee kampen in het debat over ontlezing onder jongeren. Het ene vindt pulp verwerpelijk, het andere telt zijn zegeningen. Dit verlamt het onderwijs.

Bezoekers in de tot 'beste bibliotheek van Nederland'verkozen LocHal in Tilburg.  Beeld Hollandse Hoogte /  ANP
Bezoekers in de tot 'beste bibliotheek van Nederland'verkozen LocHal in Tilburg.Beeld Hollandse Hoogte / ANP

Sinds Yra van Dijk en Marie-José Klaver recentelijk een pleidooi schreven tegen de inzet van ‘pulp’ in het literatuuronderwijs, woedt opnieuw een periodiek terugkerende discussie: wat moeten we tieners op school laten lezen? Het patroon is inmiddels bekend. Het ene kamp bepleit dat er literaire teksten centraal moeten worden gesteld, omdat leerlingen daarin nieuwe perspectieven op de wereld ontdekken, die bovendien zijn opgetekend in een rijke taal. Het andere kamp meent dat het onderwijs primair moet focussen op leesplezier, vanuit het idee dat jongeren überhaupt tot lezen verleid moeten worden. Het maakt daarbij niet uit welke teksten er worden ingezet, zolang die leerlingen maar lezen.

Het is jammer dat het debat rond het artikel van Van Dijk en Klaver zich zo snel vernauwt tot de vraag of een jeugdthrillerschrijver als Mel Wallis de Vries in de les Nederlands thuishoort, of niet. Veel belangrijker is de vraag wat we leerlingen precies met dit soort boeken laten doen, geredeneerd vanuit het feit dat ze zulke teksten hogelijk waarderen.

Zo laten Van Dijk en Klaver zien dat de personages van Wallis de Vries allerlei stereotiepe beelden over jonge meisjes bevestigen. Ook wijzen ze erop dat het steevast om personages met lange blonde haren gaat. Alle reden voor docenten om precies dát te thematiseren in hun les: op welke manier wordt de wereld in deze thrillers precies gerepresenteerd en hoe verhouden leerlingen zich daar eigenlijk toe?

Stereotypen

Juist die vraag wordt in het literatuuronderwijs te weinig gesteld. In hun reactie op de kritiek van Van Dijk en Klaver stellen Gerlien van Dalen (Stichting Lezen) en Giel van Strien (Passionate Bulkboek) dat de bekritiseerde schrijvers ‘de onderwerpen die hun boeken voorkomen (geweld, ongewenste seks, racisme) juist aan de kaak willen stellen en bespreekbaar willen maken bij de groep die het aangaat: de jeugd zelf’. Je kunt je echter afvragen hoe goed ze daarin slagen, als hun boeken zelf de stereotypen reproduceren die ze blijkbaar proberen te bestrijden. Belangrijker nog is dat dit soort onderwerpen pas echt bespreekbaar worden onder leiding van een docent die de discussie aan de hand van gerichte leesvragen in goede banen kan leiden.

Over die didactische kant gaat het in de commotie rond het artikel van Van Dijk en Klaver nauwelijks. Terwijl: juist op het vlak van representatie en stereotypie heeft het Nederlandse literatuuronderwijs een grote slag te maken. Neem Tim Krabbés schoolklassieker Het gouden ei (1984), al decennia koploper op de lijst met meest gelezen boeken in het voortgezet onderwijs. Menig docent Nederlands kan de novelle inmiddels niet meer zien, maar gestuwd door de populariteit van het boek in de ranglijstjes, nemen leerlingen het keer op keer ter hand.

En wat lezen ze dan? Dat ‘een neger in een Afrikaanse jurk’ met twee ijsjes in de hand bij een tankstation staat. Dat een Franse toerist in zee zit ‘als een vadsige Birmese prins op een troon’. Dat het vrouwelijke hoofdpersonage Saskia Ehlvest zich vooral inlaat met breien, make-up, de Marie Claire en stofzuigen. Dat vrouwen niet timmeren en dat je hun naam, zoals hoofdpersoon Rex Hofman doet, kunt noteren in een notitieboekje onder de categorie ‘eventueel te versieren’.

Literatuur mondeling

Misschien is het juist omdat de gemiddelde docent Nederlands Het gouden ei niet langer kan zien dat zulke details nauwelijks aandacht krijgen in de literatuurles. Uit een onderzoek dat ik deze maand publiceerde in het letterkundige tijdschrift Vooys, blijkt dat de meeste vragen op literatuurmondelingen (havo/vwo) gaan over welke literaire technieken Krabbé in zijn novelle inzet.

De focus ligt kortom op de compositie van het verhaal, op de tijdsprongen die erin zitten, op de literaire motieven en symbolen die Krabbé gebruikt. Nog geen half procent van de onderzochte mondelingvragen ging over het vrouwbeeld of andere vormen van representatie in Het gouden ei.

Toen Het gouden ei in 1984 verscheen, was er geen recensent die over de daarin voorkomende stereotypen schreef, en ook in latere analyses van het boek ontbreekt elke aandacht voor het seksisme dat inherent is aan de blik van de mannelijke hoofdpersonen. Intussen zijn we veertig jaar verder en beperkt de discussie zich nog steeds tot de vraag of Het gouden ei wel diepgaand genoeg is voor leerlingen in 6 vwo.

Laten we daarom werk maken van literatuuronderwijs dat de representaties in teksten serieus neemt als onderwerp van gesprek – juist bij teksten die veel onder leerlingen circuleren.

Jeroen Dera is universitair docent Nederlandse Letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen, gespecialiseerd in literatuuronderwijs.

Meer over