Opinie

Opinie: Europese plannen tegen online kinderporno maken internet juist onveiliger

De voorstellen van de Europese Commissie om online seksueel kindermisbruik tegen te gaan, schieten door. Zo zal het scannen op trefwoorden de veiligheid van jongeren verminderen.

Arda Gerkens
Campagneposter tegen kinderporno. Beeld ANP / Harold Versteeg
Campagneposter tegen kinderporno.Beeld ANP / Harold Versteeg

Sinds het begin van het internet neemt het aantal afbeeldingen van seksueel misbruik van minderjarigen toe. Een goede gestructureerde aanpak hiervan heeft lang op zich laten wachten. Vorige week woensdag kwam de Europese Commissie met voorstellen hoe dit te gaan doen. Zo worden ‘relevante aanbieders van onlinediensten’ – zoals Gmail, Outlook, Telegram, Signal, Facebook Messenger en Whatsapp – verplicht om online seksueel kindermisbruik op te sporen en dat materiaal te melden aan de overheid. Helaas is een deel van de voorstellen niet alleen ineffectief, maar zelfs contraproductief.

Bij de presentatie van de voorstellen gaf eurocommissaris Ylva Johansson (Binnenlandse Zaken) heftige voorbeelden. Dat is een strategie die in het internationale speelveld vaker wordt gebruikt. De omschrijvingen van dramatische gebeurtenissen moeten verregaande maatregelen en de inbreuk op de privacy van kinderen rechtvaardigen, evenals een aanpak op Europees niveau. Maar online seksueel misbruik van minderjarigen zit ingewikkelder in elkaar dan op het eerste gezicht het geval lijkt te zijn.

Kwajongens

Er zijn vele actoren. Van de misbruiker die op zoek is naar kinderen om te misbruiken en ‘kwajongens’ die kijken hoever ze iemand kunnen krijgen om afbeeldingen te sturen, tot volwassenen die voor de ‘grap’ in de Telegramgroepen zitten waar dit materiaal verspreid wordt of die vanuit verontwaardiging een ontvangen afbeelding doorsturen; allemaal maken ze onderdeel uit van het systeem rond de vraag en aanbod van afbeeldingen van minderjarigen.

Er is dan ook geen makkelijke oplossing. Maar als men het speelveld goed kent, dan is een effectieve aanpak zeker denkbaar. Een onderdeel van de oplossing is een Europees expertisecentrum dat als een spin in het web, samen met alle andere actoren, kan zoeken naar de juiste interventies. De ervaring leert namelijk dat het speelveld in Europa momenteel bestaat uit individuen of kleine bedrijven die onvoldoende zijn toegerust om de verspreiding van online kinderporno effectief te bestrijden.

Juridische (on)mogelijkheden

Een dergelijk centrum kan hierbij een belangrijke rol spelen. Er is namelijk grote behoefte aan een plek waar men informatie kan krijgen over de technische middelen die beschikbaar zijn, en over de juridische (on)mogelijkheden. Zo’n centrum krijgt ook de mogelijkheid om een fikse boete uit te delen aan onwillige partijen. En is in staat de juiste informatie te verzamelen en te delen met de opsporingsdiensten.

Positief is dat de Europese Commissie beseft dat de middelen voor het detecteren van dergelijk materiaal eerst goedgekeurd moeten worden, om te voorkomen dat er meer informatie wordt ingezameld dan nodig. En dat er een technische commissie moet worden opgericht om dit te monitoren. Des te zorgwekkender echter is het voorstel om kunstmatige intelligentie (AI) in te zetten in de zoektocht naar mogelijk nieuw materiaal, zeker wanneer aanbieders van onlinediensten verplicht worden om zulke vondsten te melden bij de opsporingsdiensten. Met de toeslagenaffaire in het achterhoofd is de kans op onterechte beschuldigingen te groot om de inzet van AI te rechtvaardigen.

Enorme hoeveelheid

Dat geldt ook voor het scannen op tekst. Hiervoor worden conversaties tussen minderjarigen (jonger dan 18) en meerderjarigen (18 en ouder) automatisch bekeken op trefwoorden. In het beste geval leidt dit nog altijd tot 10 procent ‘valspositieven’ – meldingen die achteraf onterecht blijken te zijn – en dat is gezien de aantallen conversaties waar we het over hebben een enorme hoeveelheid. Bovendien gaat het ook over conversaties tussen bijvoorbeeld een 19-jarige en een 17-jarige. Een enorme inbreuk op de privacy en een schending van artikel 16 van het Kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties.

Nóg zorgwekkender is dat deze verplichting moet worden uitgevoerd door de lidstaten. Jongeren ontdekken hun seksuele geaardheid in toenemende mate online, ook in landen waar sommige van deze geaardheden verboden zijn. Het risico is dat straks wordt gekeken of een jongere gevoelens van homoseksualiteit bespreekt met iemand van 18 jaar of ouder. Het scannen op trefwoorden zal de veiligheid van jongeren verminderen in plaats van vergroten. Zeker wanneer zogenaamde moderators die scans gaan uitvoeren, want wie houdt toezicht op deze groep? Vaak gaat het om vrijwilligers die aan geen enkele screening hoeven te voldoen.

Achterdeurtjes

Dat geldt ook voor (het plan voor) het creëren van zogenaamde achterdeurtjes in de encryptie. Nu al worden kinderen en jongeren afgeperst met foto’s uit gehackte Instagram- of Snapchat-accounts. Kwetsbaarheden introduceren voor de opsporing, maakt het internet ook onveiliger voor hen. Te denken dat je een achterdeur alleen maar op een kier kunt zetten bij de bestrijding van misbruik is naïef. Die kier opent ook nieuwe wegen voor kwaadwillenden.

Kortom, de aanpak van online seksueel misbruik op Europees niveau kan zeker beter. Een aantal van de verbeterpunten komt in de voorgestelde regulering ook aan bod. Maar de plannen van de Europese Commissie schieten door en maken internet juist een onveiligere plek voor kinderen en jongeren.

Arda Gerkens is directeur-bestuurder van het Expertisebureau Online Kindermisbruik (EOKM).