Opinie

Opinie: Ernstige psychische nood kán sneller behandeld worden, er ligt genoeg geld op de plank

Jazeker, de druk op de psychiatrie is groot. Maar niet doordat ook uitgebrande managers welkom zijn voor zingeving of een goed gesprek. Er is meer aan de hand, betogen een ouderenpsychiater en een groep wetenschappers.

In ggz-instelling de Woenselse Poort in Eindhoven worden patiënten met complexe psychische problemen geholpen.  Beeld ANP
In ggz-instelling de Woenselse Poort in Eindhoven worden patiënten met complexe psychische problemen geholpen.Beeld ANP

‘Zeg vaker ‘nee’ tegen patiënten met milde psychische klachten die naar een psycholoog of psychiater willen’, betoogde huisarts Rinske van de Goor vorige week in deze krant. Zij klopt vaak vergeefs aan bij de psychiatrie voor haar patiënten met ernstige klachten, want: ‘Veel ggz-geld gaat naar psychologische hulp aan behoorlijk goed functionerende personen met milde psychische klachten. De druk op mensen om goed te functioneren en qua gedrag en gemoed binnen de lijntjes te kleuren, is hoog.’

Ze is niet de enige die meent dat wachtlijsten in de ggz ontstaan doordat een vloedgolf aan uitgebrande managers en spiritueel ontheemden door de psychiater met open armen worden ontvangen voor troost, zingeving en een goed gesprek.

En je zou het niet direct verwachten, maar ook Jacobine Geel en Ab Klink, voorzitters van respectievelijk de Nederlandse ggz en Zorgverzekeraars Nederland, zijn het hierover eens: ‘We moeten ons nu echt gaan afvragen wat we anders kunnen doen om mensen te helpen’, tobt Geel in Trouw. Mensen moeten accepteren dat tegenslag bij het leven hoort en dat lijden niet altijd reden is om naar de ggz te stappen, valt Klink haar bij. Want 1,1 miljoen mensen behandeld in de ggz is echt te veel.

Vrijgevestigd

Maar wat er niet bij wordt gezegd: de helft van die 1,1 miljoen wórdt al in de huisartsenpraktijk opgevangen, en wel door de praktijkondersteuner (POH-ggz). Een ander deel, zo’n 200 duizend volwassenen, krijgt behandeling van vrijgevestigde psychologen in wat in beleidstermen de ‘generalistische basis-ggz’ wordt genoemd.

Dit is het gevolg van twintig jaar overheidsbeleid om kosten te beteugelen door medische behandelingen over te hevelen van specialisten naar de huisartsenpraktijk. Dit beleid, ook toegepast op bijvoorbeeld astma en diabetes, wordt ‘substitutie’ genoemd en werd voor de psychiatrie (de specialistische ggz) een groot succes. Volgens het CBS daalde tussen 2010 en 2016 het aantal volwassenen in psychiatrische behandeling met eenderde, tot nu jaarlijks zo’n 533 duizend patiënten, 3,9 procent van de volwassenen.

Niet gek, als je bedenkt dat naar schatting 6 à 7 procent van de Nederlanders aan een ernstige psychiatrische aandoening lijdt. Inmiddels worden meer ggz-patiënten buiten dan binnen de psychiatrie behandeld. Daarmee durf ik mijn vak tot kampioen substitutie uit te roepen, reden voor een post-coronafeestje. Samen met al die fantastische huisartsen, praktijkondersteuners en vrijgevestigde psychologen natuurlijk: zonder jullie was dit alles nooit gelukt.

Minder feestelijk

Een stuk minder feestelijk is de wachtlijst voor de psychiatrie, waardoor zo’n 11 duizend patiënten met complexe psychiatrische aandoeningen meer dan vier maanden verstoken blijven van behandeling. Vanuit beleidsoptiek valt dat misschien mee: 98 procent komt immers wél binnen die termijn aan bod. En het komt vaker voor dat de maatschappij bepaalde groepen uitsluit van behandeling – denk aan dure geneesmiddelen voor zeldzame aandoeningen.

Maar volgens de Algemene Rekenkamer blijft er jaarlijks 300 miljoen euro ggz-budget ongebruikt op de plank liggen bij de zorgverzekeraars. Wonderlijk genoeg laten Geel en Klink dit onbenoemd in hun oplossingen. Klink ziet een grotere rol voor gemeenten in de financiering van geestelijke zorg. Je moet maar durven, na de rampzalige overheveling vijf jaar geleden van de kinder- en jeugdpsychiatrie naar de gemeenten.

Geel droomt van ‘een soort collectief waarin bijvoorbeeld een huisarts en een ggz-aanbieder en een wijkteam bij elkaar zitten en dat iemand met een probleem daar binnenkomt. Dan kun je met elkaar kijken: wat zou nou het meest helpen?’ Alsof huisartsen niks beters te doen hebben.

Onneembare vesting

Ik zou denken: zeg voortaan ‘ja’ tegen patiënten met complexe psychiatrische aandoeningen, ggz-instellingen. Stop met je te gedragen als een onneembare ­vesting, met schijnspecialisatie van psychiatrische regionale teams, waardoor complexe patiënten nooit aan de behandelcriteria kunnen voldoen. Want patiënten met maar één aandoening komen in ons vak nauwelijks voor.

En zorgverzekeraars, staak het op­potten van geoormerkt zorgpremiegeld en het verantwoordelijk maken van gemeenten voor jullie taak. Het is een sprookje dat wachtlijsten ontstaan doordat te veel lichte problematiek wordt binnengehaald in de psychiatrie. Het systeem is inmiddels zozeer ingericht op tegengaan van overbehandeling, dat de allerziekste patiënten in de kou staan.

Manon Kleijweg is ouderenpsychiater.

Laten we milde psychische klachten wél goed behandelen

Dat zal juist helpen om te voorkomen dat ze ernstiger worden, zo betogen wetenschappers Annemieke van Straten, Marit Sijbrandij, Pim Cuijpers en Aartjan Beekma:

Huisarts Rinske van de Goor pleit ervoor om mensen met milde psychische klachten zoals angst of somberheid niet te behandelen. Wij zijn het daar niet mee eens en willen graag reageren.

Op de eerste plaats: mensen die milde psychische klachten hebben, kunnen terecht bij de praktijkondersteuner van de huisarts of bijvoorbeeld bij het maatschappelijk werk. Bij grofweg de helft van alle mensen met psychische klachten in Nederland is dit ook voldoende. Zij worden niet doorverwezen naar een psycholoog of psychiater. Om voor doorverwijzing in aanmerking te komen, moet er sprake zijn van een diagnose van een psychische aandoening en dit betekent per definitie dat de klachten het dagelijks leven beperken. Denk bijvoorbeeld aan een student die door somberheid niet meer goed in staat is te studeren of aan een moeder die terugkerende paniekaanvallen heeft en het daardoor lastig vindt naar de supermarkt te gaan. Ook al gaat het misschien niet om heel complexe problematiek, de zorgvraag is volledig terecht.

Van de Goor heeft wél gelijk als zij zegt dat er lange wachtlijsten zijn in de ggz voor mensen met ernstige en complexe problemen. Ook wij vinden dit zeer onwenselijk is. Als het zou gaan om een ernstige of complexe fysieke aandoening, zou zo’n wachtlijst ondenkbaar zijn. Dit punt kan dan ook niet genoeg onder de aandacht worden gebracht.

De oplossing is echter niet om mensen met minder complexe problemen zorg te onthouden. Ten eerste omdat de zorgvraag dus terecht is. Ten tweede omdat de kans groot is dat de problemen van deze mensen alsnog complex worden als er niet bijtijds wordt ingegrepen, met allerlei negatieve consequenties voor de patiënt en diens naaste omgeving. Ten derde omdat het budget dat naar deze doelgroep gaat beperkt is. Het merendeel ervan gaat juist al naar de groep met ernstige(re) en complexe problemen.

Van de Goor eindigt haar column met de uitspraak dat mensen die geen hulp kunnen krijgen eigenlijk mazzel hebben omdat zij het leven best aardig aan kunnen. Zij lijkt psychische hulp dus niet nodig te vinden, zolang je nog maar enigszins het hoofd boven water kunt houden. Wij willen graag net als haar een parallel trekken met de somatische zorg. Is het dan ook acceptabel om mensen met hartklachten niet meer te helpen zolang zij nog geen hartinfarct of hartstilstand hebben gehad?

Annemieke van Straten, Marit Sijbrandij en Pim Cuijpers zijn hoog­leraar klinische psychologie aan de VU Amsterdam. Aartjan Beekman is hoofd afdeling psychiatrie VUmc.

Meer over