opinie

Opinie: Eindelijk ziet ook Rutte IV in dat migratie voor Nederland een bittere noodzaak is

Decennia golden asielzoekers als de baarlijke duivel. Maar er lijkt bij de coalitiegenoten een nieuwe wind te waaien. Onder druk van een krimpende arbeidsmarkt krijgt in het migratiedebat de rede meer ruimte, stelt Leo Lucassen.

Leo Lucassen
Net aangekomen asielzoekers onderweg naar het aanmeldcentrum voor asielzoekers in de Groningse plaats Ter Apel. Het azc zit overvol.  Beeld ANP
Net aangekomen asielzoekers onderweg naar het aanmeldcentrum voor asielzoekers in de Groningse plaats Ter Apel. Het azc zit overvol.Beeld ANP

Oude wijn in nieuw zakken, zo zijn de plannen van Rutte IV door velen gekarakteriseerd. Dat mag voor een aantal beleidsterreinen gelden, maar niet voor migratie. Daar lijkt, ik blijf voorzichtig, een nieuwe wind te waaien. Waar de term ‘migratie’ sinds Frits Bolkestein in de jaren negentig en vooral met de opkomst van Pim Fortuyn en de alleingang van voormalig VVD’er Geert Wilders een steeds giftiger bijsmaak heeft gekregen, lijkt na ruim twee decennia eindelijk de rede, en daarmee de nuance, weer wat meer ruimte te krijgen.

Zoals voorzitter Ingrid Thijssen van werkgeversorganisatie VNO-NCW afgelopen zondag in Buitenhof duidelijk maakte, zal de Nederlandse arbeidsmarkt de komende jaren eerder meer dan minder afhankelijk worden van arbeidsmigratie. En het ligt voor de hand om ons daar op in te stellen. En niet, zoals in de eerste drie kabinetten-Rutte: wél de economie tot in het extreme flexibiliseren, maar vervolgens niet accepteren dat dit leidt tot meer arbeidsmigratie, met name uit Oost-Europa.

Waar twintig jaar lang migratie (meestal verengd tot asielzoekers) als de baarlijke duivel gold, en van links tot rechts de meest apocalyptische scenario’s over elkaar heen buitelden, lijkt eindelijk het besef door te dringen dat de Nederlandse economie zowel aan de onder- als bovenkant (‘expats’) in een aantal sectoren sterk afhankelijk is van mensen uit andere landen, die bereid zijn hun arbeid, expertise en ambities hier te gelde te maken.

Open economie

Want hoe je ook over migratie denkt, feit is dat Nederland een open economie is waarin distributie, logistiek, bio-industrie en land- en tuinbouw, en daarnaast high tech, wetenschap en de culturele industrie (gaming) een grote rol spelen. En al die distributiecentra, kassen, slachthuizen, R&D-afdelingen, universiteiten en hippe start-ups zijn voor een deel afhankelijk van mensen uit het buitenland. En dat zal met een krimpende bevolking, te weinig Nederlandse studenten die exacte studies kiezen en een steeds krappere arbeidsmarkt eerder meer dan minder het geval zijn.

Als we (veel) minder migratie willen, dan zijn, naast voortgaande robotisering, fundamentele keuzes in de economie noodzakelijk. Geen door aardgas gestookte kassen meer, veel minder online-verkoopcentra, minder vrachtwagens, of het inperken van brainport Eindhoven. Alleen hoor je daar maar weinig mensen over, en al helemaal niet de usual suspects ter rechterzijde (van CDA tot Forum voor Democratie) die geen genoeg van ondernemersvrijheid, economische groei en flexibilisering van de arbeidsmarkt kunnen krijgen.

Het nieuwe kabinet lijkt zijn oren vooral te laten hangen naar D66, dat al langer veel positiever aankijkt tegen met name arbeidsmigratie. Dat is op zich verstandig, maar dan wel met twee belangrijke kanttekeningen. Ten eerste zullen werkgevers en arbeidsbemiddelaars veel strenger gecontroleerd moeten worden om uitbuiting te voorkomen. Want, zoals onder meer vakbond FNV heeft bloot gelegd, arbeidsmigranten aan de onderkant van de arbeidsmarkt zijn regelmatig het slachtoffer van malafide bemiddelaars en uitzendbureaus, terwijl werkgevers weinig verantwoordelijkheid voelen om te zorgen voor fatsoenlijke en betaalbare huisvesting.

Inburgering

Een tweede kanttekening is het asiel- en inburgeringsbeleid dat in de afgelopen decennia werd gekenmerkt door afschrikking en door wat Karl Marx ooit ‘Verelendung’ noemde, met Ter Apel als symbool. De weigering om een redelijke opvangcapaciteit in stand te houden leidt al jaren tot voorspelbaar paniekvoetbal om gemeenten te vinden die bereid zijn om asielzoekers op te vangen.

Er is echter veel voor te zeggen om de opvang van asielzoekers pro-actiever aan te pakken. Niet alleen een snelle en faire procedure, maar vooral ook zorgen dat degenen die mogen blijven hun leven zo snel mogelijk op kunnen pakken, door hen intensieve taalcursussen aan te bieden, hun diploma’s en expertise op waarde te schatten en waar nodig zo snel mogelijk bij te scholen. Een dergelijk positief inburgeringsbeleid heeft Duitsland in de jaren negentig (met de uit Rusland afkomstige ‘Aussiedler’) geen windeieren gelegd. En hetzelfde geldt voor Israël in de jaren vijftig en zestig, waar met de aliyah miljoenen joden, van Litouwen tot Marokko, in een nieuwe staat moesten worden geïntegreerd: Hebreeuws leren, gehuisvest raken, een baan vinden, et cetera.

Zo’n rationale benadering kan ook helpen om de vaak veel te kunstmatige (binaire) tegenstelling tussen ‘vluchtelingen’ en ‘arbeidsmigranten’ te relativeren. Hoewel hun hoofdmotief om hun land van herkomst te verlaten sterk verschilt, zijn ze allemaal op zoek naar een beter leven en een kans hun aspiraties waar te maken. Een integraal en onderling samenhangend migratiebeleid (arbeid, asiel, gezin) dat economische en humanitaire belangen zo goed mogelijk verenigt, is niet eenvoudig, maar biedt voor alle betrokken partijen de beste uitkomst. Of we het leuk vinden of niet, migranten zullen de weg naar de Noordzee blijven vinden. Het is in ons (niet altijd welbegrepen) eigenbelang die mobiliteit zo goed mogelijk te accommoderen.

Leo Lucassen is directeur van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en hoogleraar aan de Universiteit Leiden.

Meer over