OpinieDuits-Europese 'strijd'

Opinie: Duitse tik tegen de ECB is een teken van een nieuwe ramkoers

Duitse rechters die de ECB terugfluiten in coronatijd, dat lijkt niet handig. En hoe is het eigenlijk mogelijk? Het is historisch verklaarbaar, meent Gerrit Dijkstra.

Christine Lagarde, directeur van de Europese Centrale Bank (ECB).Beeld AFP

Het Duitse Grondwettelijk Hof, het Bundesverfassungsgericht te Karlsruhe, deed onlangs een uitspraak die erop neerkomt dat de Europese Centrale Bank (ECB) binnen enkele maanden aan het Duitse parlement verantwoording moet (laten) afleggen over een programma dat was bedoeld om de ­financiële crisis te beheersen. Let wel, het gaat om een programma toen Mario Draghi nog ECB-voorzitter was en het betrof de toenmalige financiële crisis, vóór corona. Dit omvangrijke steunprogramma, ‘het kanon van Draghi’, behelsde vele tientallen miljarden euro’s per maand.

Wat die uitspraak betekent voor dit inmiddels afgelopen programma, en dan vooral voor de Duitse centrale bank, is niet zo duidelijk. Belangrijker is wat het in de huidige coronacrisis kan betekenen voor bestaande en nieuwe steunprogramma’s. Dat is voer voor economische en juridische deskundigen die de Europees-rechtelijke, de Duitse staatsrechtelijke en de gevolgen voor de monetaire en financiële markten kunnen overzien. Als zulke specialisten al bestaan, zijn het er niet veel, en voorlopig klinken er vooral onderlinge verwijten: de (monetair) economen begrijpen de juristen niet en de juristen begrijpen de economie en de financiële en monetaire markten niet.

Ook ik heb geen antwoord, maar kan wel uitleggen wat de historische achtergrond is om te begrijpen waardoor deze botsende gerechtelijke uitspraken mogelijk zijn. Die is namelijk het gevolg van de ‘strijd’ tussen het Duitse Grondwettelijk Hof en de Europese instituties, waaronder, naast de ECB, vooral het Europese Hof van Justitie.

Bezettingsmachten

Enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog werd de nieuwe (West-)Duitse grondwet opgesteld, de Grundgesetz. De toenmalige bezettingsmachten, en dan met name de Amerikanen, ­keken uitdrukkelijk mee over de schouders van de Duitse opstellers. Het vertrouwen van de bezettingsmachten in de (toenmalige) Duitse politiek was niet groot: ze vertrouwden meer op de rechters. Er kwam dan ook een Duits Grondwettelijk Hof dat als enige instantie bevoegd was een definitief oordeel te geven over de interpretatie van de Duitse grondwet. In de Duitse grondwet, die nog steeds geldt, werd vastgelegd dat enkele essentiële onderdelen nooit gewijzigd mogen worden. Dat betreft onder andere de rechtsstaat, de democratie, de relatie tot het internationale recht en de rol van het Duitse Grondwettelijk Hof. Enkele jaren later ontstonden de Europese Verdragen, die uitmondden in de Europese Unie. Daarin werd ook het Europese Hof van Justitie, in Luxemburg, opgericht.

Europese Hof regeert

Met enkele baanbrekende uitspraken heeft dit laatste Hof bepaald dat het Europese recht bóven het nationale recht gaat, directe werking heeft en dat dit Europese Hof bepaalt hoe regels van het Europese recht geïnterpreteerd moeten worden. Duidelijk: die standpunten staan haaks op die van het Duitse Grondwettelijk Hof.

Het Duitse Hof heeft vele decennia een soort dubbelstrategie gevolgd. Enerzijds stelde het principieel dat zij degene is die bepaalt of het Europese recht al dan niet in strijd is met de Duitse grondwet en dat de Duitse grondwet prevaleert boven het Europese rechtssysteem, anderzijds had het Hof een pragmatische houding, die het mogelijk maakt dat Europese besluiten in stand kunnen blijven.

Wel gaf het Duitse Grondwettelijk Hof steeds schoten voor de boeg hoe de Europese Unie zich (juridisch) zou moeten ontwikkelen op het gebied van vooral de rechtsstaat en de democratie. Vervolgens reageerden de Europese instituties daarop door, deels, tegemoet te komen aan de wensen (beter: eisen) van het Duitse Grondwettelijk Hof.

Nu, met de recente uitspraak van het Duitse Hof, lijkt die pragmatische lijn te zijn ingewisseld voor een ramkoers. Echt duidelijk is dit niet, want zit verscholen onder zeer ontoegankelijke juridische, Duitse, bewoordingen. Niet alleen het pragmatisme lijkt verlaten, er worden zelfs sneren uitgedeeld naar oordelen van het ­Europese Hof van Justitie.

Van Christine Lagarde is bekend dat zij als hoogste baas van het IMF het woord ‘Karlsruhe’ niet kon horen; nu ze ECB-president is, zal dit nog sterker gelden. Toch kan ‘Karlsruhe’ grote gevolgen hebben voor de toekomst van de Europese monetaire en economische politiek. Net als voor de relatie tussen de Europese Unie en de lidstaten.

Duitse Hof gezaghebbend

Want het gaat hier niet om zomaar een uitspraak van een nationale rechter, zoals in sommige commentaren wordt gesteld. De uitspraken van het Duitse Grondwettelijk Hof zijn voor Duitsland absoluut bindend en gezaghebbend, ook onder de bevolking. En Duitsland is ook niet zomaar een gewone lidstaat van de Europese Unie. De uitspraak van Duitse Grondwettelijk Hof zal in het EU-kritische Polen en Hongarije met interesse zijn gelezen.

Helaas duurt het vaak jaren voordat het Duitse Hof meer duidelijkheid geeft. De situatie is verder benard, omdat het ondenkbaar is dat het Europese Hof van Justitie sinds de eerste baanbrekende uitspraken haar lijn verlaat. En datzelfde geldt voor het Duitse Hof, dat gebonden is aan Duitse grondswetsartikelen die niet veranderd kunnen worden vanwege de zogenoemde Ewigskeitswert.

Toch biedt het Duitse Grondwettelijk Hof een uitweg: binnen drie maanden dient de ECB of de Duitse regering aan het Duitse parlement nadere uitleg te geven of verantwoording af te leggen. Of de ECB, Christine Lagarde dus, hiertoe bereid is, is de vraag, mede gezien de onafhankelijkheid van de ECB. Maar de Duitse regering zal hiertoe waarschijnlijk wel bereid zijn. Of die uitleg voldoende is voor het Duitse Grondwettelijk Hof is de vraag. Al duurt het even, er ís een uitweg.

Wat verontrustend blijft, is de toonzetting. In deze financiële en monetaire coronacrisis is een ramkoers niet goed. Vooral niet omdat deze felle houding van het Duitse Hof jegens de EU koren op de molen is van Polen en Hongarije en ook andere lidstaten waar het populisme welig tiert. En daar komt Brexit nog bij. Te hopen is dat in deze voor álle Europese burgers moeilijke tijden, het pragmatisme snel ­terugkeert.

Gerrit Dijkstra is bestuurskundige aan de Universiteit Leiden.

Meer over